Alle soortenHoenderachtigenFazantachtigen › Hazelhoen

Hazelhoen | Tetrastes bonasia

Hazel grouse | Grévol común

Het kleinste boshoen van Europa en een van de moeilijkste vogels van het continent om te zien. Meestal blijft het bij een klapperende schim die tussen de sparren verdwijnt, en bij de vaststelling dat het geluid dat je net hoorde inderdaad een hazelhoen was.

Hazelhoen (Tetrastes bonasia)
Hoofdfoto · Foto: Lukas Kott — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een zeer hoog, dun gefluit dat weinig lijkt te dragen en dat oudere oren vaak volledig missen: tsie-tsiiie-ti-ti-ti-ti, ijl en snel aflopend, meestal enkele keren herhaald. De hen antwoordt met een vloeiend tettettettet. Bij het opvliegen roffelen de vleugels hard en droog, en dat geluid verraadt de vogel vaker dan het gezicht. Fluitend zijn de hanen in maart en april en opnieuw in september en oktober, meestal in de eerste twee uur na zonsopkomst.

Luister: RoepXC103672

Opname: Alexander Kurthy — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Klein, gedrongen hoen met een klein kopje, een opzetbare kuif en fijn bevederde poten. Bovendelen grijs met roestbruine schouders, onderdelen wit met dichte donkere druppelvlekken die als schubben ogen. De haan heeft een zwarte keel met een scherpe witte omranding en boven het oog een kleine rode roos; de hen heeft een bruinige keel zonder die tekening. Doorslaggevend is de staart: grijs met een brede zwarte eindband en een smalle witte zoom, in vlucht altijd te zien. Ook opvallend is een witte schouderstreep langs de vleugelbocht.

Verwarrings­soorten

Jonge korhoenders in hun eerste najaar zijn de gewoonste vergissing: ook bruin en gebandeerd, maar duidelijk groter en langer, zonder kuif, zonder zwarte keelvlek en zonder de zwarte staartband met witte zoom. Hun staart is bovendien recht tot licht gevorkt, waar het hazelhoen een afgeronde staart heeft, en ze zitten op open heide en veenranden in plaats van in gesloten bos. De tweede valkuil is de patrijs: die is korter en ronder, heeft een oranjebruin gezicht, een hoefijzervlek op de buik en roestbruine staartzijden, en leeft in open akkerland waar het hazelhoen nooit komt. In de bergen speelt de steenpatrijs mee, met een wit gezicht in zwarte omlijsting en scherpe zwarte flankstrepen op open rotshellingen.

Leefgebied

Dicht, vochtig naald- en gemengd bos met een goed ontwikkelde struik- en kruidlaag, het liefst met sparren waarvan de takken tot de grond komen. Beekdalen met els, berk en wilg zijn belangrijk: de katjes van die soorten zijn het wintervoedsel. Verder open plekken, jonge aanplant en windworp met bosbes en framboos voor de kuikens. Waar het bos schoongeveegd is en de ondergroei ontbreekt, verdwijnt de soort.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van Fennoscandië en de Baltische staten door Polen, Tsjechië, de Karpaten en de Balkan tot ver in Siberië en Japan, met daarnaast populaties in de Alpen en het Zwitserse Jura. In West-Europa is de soort sterk achteruitgegaan: uit de Ardennen verdwenen, in de Vogezen nog maar een handvol vogels van de westelijke vorm rhenana, en in de Pyreneeën sinds de jaren negentig uitgestorven — een grensoverschrijdend project van Spanje, Frankrijk en Andorra deed in 2018 de eerste herintroductie in de Val d'Aran. Er bestaat geen aanvaard Brits geval, en in Nederland en België valt niets meer te halen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in april vroeg een bospad op in de Beskiden, de Bieszczady of het Beierse Woud en loop langzaam, met stops van een paar minuten. Blijf op paden langs beekjes met els en jonge sparren, en let vooral op het roffelen van vleugels: negen van de tien waarnemingen beginnen met een vogel die opvliegt van de padrand. Fluitjes om hanen te lokken zijn in veel gebieden verboden en verstoren de vogels in het broedseizoen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd door de enorme populatie in Rusland, maar in Midden- en West-Europa gaat het al decennia bergafwaarts. De oorzaak is bosbouwkundig: gelijkjarige, opgeschoonde opstanden zonder struiklaag, het opruimen van windworp en dood hout, en het verdwijnen van de kleinschalige overgangen tussen loof- en naaldhout. Daarbij komen versnippering, natte koude kuikenweken en een hoge predatiedruk. Herstel is mogelijk maar traag, want de vogel koloniseert slecht over open landschap.

Wetenschappelijke naam

Tetrastes bonasia | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tetrao bonasia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tetrastes werd in 1840 ingevoerd door Keyserling & Blasius. Tetrastes is een Griekse naam die aansluit bij tetraōn, de klassieke aanduiding van een boshoen; de precieze vorming is onzeker. bonasia is het nieuw-Latijnse woord voor het hazelhoen, gevormd naar de Italiaanse naam van de vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.