Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › IJseend

IJseend | Clangula hyemalis

Long-tailed duck | Havelda

Een kleine, ronde zee-eend die het hele jaar door van verenkleed wisselt en daarmee de meest verwarrende eend van de winterkust is. Het mannetje draagt twee lange staartpennen en roept zelfs midden op zee onophoudelijk.

IJseend (Clangula hyemalis)
Hoofdfoto · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een ver dragend, jodelend en nasaal a-ahoelie of ow-ow-owdelie, dat groepjes mannetjes in koor uitstoten. Vooral te horen op windstille dagen van januari tot april, ook 's nachts, en het geluid draagt kilometers over open water.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Klein, rond en kortsnavelig, met een steile kop en een compact lijf dat hoog op het water ligt. Wintermannetjes zijn overwegend wit met een donkere borst, een grijs gezicht en een grote donkerbruine wangvlek, plus lange zwarte staartpennen en een roze snavelband. Vrouwtjes en eerstewinters zijn bruin en wit met donkere kruin en wangvlek, zonder staartpennen.

Verwarrings­soorten

In winterkleed is de soort onmiskenbaar, maar op grote afstand kunnen jonge nonnetjes en vrouwtjes brilduiker verwarring geven. De ijseend heeft geheel donkere, egale vleugels zonder wit spiegelveld, wat in vlucht meteen beslist; bovendien vliegt hij laag en schommelend, met kantelende zwart-witte flitsen boven de golven.

Leefgebied

Overwintert op open zee en groot brak water met zandige bodems: de Oostzee, de Noordzeekust, zeegaten en het IJsselmeer. Duikt diep, tot enkele tientallen meters, op schelpdieren en kreeftachtigen. Broedt aan toendrapoelen, arctische kustlagunes en bergmeren van IJsland, Fennoscandinavië en Siberië.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de hoge Arctis rond de gehele Noordpool. De winterpopulatie van het kaartgebied zit vooral in de Oostzee; langs de Noordzeekust en in de Lage Landen gaat het om tientallen vogels per winter, op ondiepe zeearmen, in de Waddenzee en op grote binnenmeren. Zuidelijker, aan de Cantabrische kust, is het een uitzonderlijke dwaalgast.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in januari of februari naar een dam, pier of zeedijk aan de Noordzee of de Oostzee en kies een dag met stevige noordwestenwind of de rustige dag erna. Scan vanaf een hoog punt; de vogels duiken vaak en verdwijnen minutenlang, dus blijf één golfdal geduldig volgen.

Staat van instandhouding

De soort is sterk achteruitgegaan, vooral in de Oostzee, het belangrijkste overwinteringsgebied ter wereld. Bijvangst in staand want, olievervuiling, achteruitgang van bodemdieren en verstoring door scheepvaart en windparken zijn de voornaamste oorzaken; op de broedgronden speelt klimaatverandering. Ook in Nederland zijn de aantallen sterk gedaald.

Wetenschappelijke naam

Clangula hyemalis | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas hyemalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Clangula werd in 1819 ingevoerd door Leach. Clangula is een Latijnse verkleinvorm van clangere 'schallen', naar de ver dragende roep. hyemalis is Latijn voor 'van de winter'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noordelijk Zweden.