Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Kleine alk
Kleine alk | Alle alle
Dovekie | Mérgulo atlántico
De kleine alk is een hoogarctische zeevogel ter grootte van een spreeuw, die in de winter tot in de zuidelijke Noordzee doordringt. Bij Nederlandse waarnemers staat hij bekend als stormvogel in de letterlijke zin: de beste dagen volgen op een langdurige noordwesterstorm.
Geluid
In onze wateren praktisch stom. In de kolonies op Spitsbergen en Groenland klinkt een schel, ratelend gelach, ongeveer tsjirr-tsjirr-tsjik, dat over de puinhellingen kabbelt en waar duizenden vogels tegelijk aan meedoen, vooral in de ochtenduren van juni en juli. Zodra een groep opvliegt zwelt dat aan tot een golvend geruis boven de helling. Vogels die na een storm op het strand of in een haven belanden, zwijgen doorgaans of laten hooguit een kort, hoog piepje horen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Compact en bolvormig, met een dikke nek, een ronde kop en een piepklein, stomp snaveltje dat nauwelijks uitsteekt. Bovendelen zwart met fijne witte streepjes op de schouderveren, onderdelen wit; in zomerkleed zijn kop, keel en borst geheel zwart, in winterkleed worden keel en wang wit en krult het wit als een halve maan achter het oog omhoog. In vlucht: heel snelle, gonzende slagen, een gedrongen silhouet dat bijna staartloos oogt, en een donkere ondervleugel. Vogels stuiteren laag over de golven en verdwijnen voortdurend achter de koppen van de golven.
Verwarringssoorten
Alk en zeekoet zijn twee tot drie keer zo groot, met een veel langere snavel en een witte ondervleugel. Papegaaiduiker is duidelijk forser, heeft een grijs gezicht en een hoge driehoekige snavel. Op afstand doet een langsvliegende kleine alk boven zee eerder aan een spreeuw denken dan aan een alk; de gonzende vleugelslag en het zwart-witte contrast maken het onderscheid. Bij zwemmende vogels helpt de plotselinge, geluidloze duik met halfopen vleugels.
Leefgebied
Broedt in reusachtige kolonies in blokveldhellingen en steenpuin van Groenland, Spitsbergen, Jan Mayen, Frans Jozefland en Nova Zembla. Buiten de broedtijd volledig pelagisch op de noordelijke Atlantische Oceaan, waar hij duikend leeft van roeipootkreeftjes en ander dierlijk plankton. Trekt alleen bij aanhoudende noordwestenwind door tot in de ondiepe kustzone en soms tot binnen de dijken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het zwaartepunt ligt in Noordwest-Groenland, waar de wereldpopulatie in miljoenen paren telt. 's Winters op zee rond IJsland, de Faeröer en Noorwegen; langs de Noordzeekust vooral in november en december bij zeetrektellingen, na stormen sporadisch op binnenwater of in havens. Aan de Atlantische kust van Noord-Iberië een schaarse wintergast en dwaalgast, veel zeldzamer dan alk en zeekoet.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Kies een dag met kracht 7 of meer uit noordwest tot noord in november, ga zeetrekken vanaf een pier, dam of kaap aan de Noordzee of de Atlantische kust en scan laag over de branding: kleine alken vliegen dicht bij het water tussen groepen zeekoeten en alken door. Loop na zo'n storm ook de vloedlijn af en kijk in beschutte havens, want verzwakte vogels drijven dan soms vlak onder de kade. Neem een telescoop mee en werk systematisch de golfdalen af, want de vogels zijn telkens maar enkele seconden zichtbaar.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een enorme wereldpopulatie, al is die door de ontoegankelijke kolonies slecht te tellen. De opwarming van de Arctische zee verschuift het aanbod van vetrijke koudwaterkreeftjes naar kleinere, energiearmere soorten, wat op termijn de belangrijkste bedreiging vormt; kolonies aan de zuidrand van het areaal, zoals op IJsland, zijn al afgenomen. Lokaal spelen predatie door poolvos en verstoring van kolonies mee.
Wetenschappelijke naam
Alle alle | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Alca alle; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Alle werd in 1806 ingevoerd door Link. Alle komt van allē, het Samische woord voor de ijseend; het is klanknabootsend en geeft de roep van de woerd weer. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Schotland.

