Alle soorten › Steltloperachtigen › Alken › Alk
Alk | Alca torda
Razorbill | Alca común
De alk is de zwartste en zwaarst gesnavelde alk van de Noordzee, een vogel van open water die alleen buiten de broedtijd binnen bereik van de kust komt. Wie hem één keer naast een zeekoet heeft gezien, scheidt beide soorten daarna op kopvorm alleen.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Op zee vrijwel altijd zwijgzaam. In de kolonie een laag, knorrend en kraakbeenachtig orrrr of arr-arr, dat uit rotsspleten en van onder keien komt en met tientallen vogels tegelijk tot een gorgelend achtergrondgeluid uitgroeit. Het geluid hoor je van april tot juli op broedkliffen in Schotland, Noorwegen en IJsland; in Nederlandse wateren blijft hij stil.
Opname: British Library — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Bovendelen gitzwart, duidelijk donkerder dan het chocoladebruin van de zeekoet, met een hoge, zijdelings afgeplatte snavel die stomp eindigt. In zomerkleed loopt een witte dwarsstreep over de snavel en een dunne witte lijn van de snavelbasis naar het oog. De staart is lang en spits en wordt op het water vaak omhoog gehouden; in vlucht steekt hij voorbij de poten, terwijl bij de zeekoet juist de poten uitsteken. In winterkleed worden keel en wang wit tot achter het oog, zonder donkere wangstreep. In de vlucht: snelle zoemende slagen laag over het water, witte achterrand aan de arm, witte flankvlek en een witte ondervleugel. Eerstejaars hebben een kleinere snavel zonder witte streep.
Verwarringssoorten
Zeekoet is de vaste verwarringssoort: bruiner, slanker, met een dolkvormige spitse snavel en in winterkleed een donkere streep die dwars door de witte wang loopt. Papegaaiduiker heeft in de winter een grijs gezicht, een korte diepe snavel en vooral een donkere ondervleugel, waar alk en zeekoet wit tonen. Kleine alk is nauwelijks half zo groot, met een piepkleine snavel en een korte, stompe kop. Kortbekzeekoet, een zeldzaamheid, is zwaarder gebouwd dan de zeekoet en heeft een lichte streep langs de snavelbasis.
Leefgebied
Buiten de broedtijd volledig op zee, boven het ondiepe continentaal plat waar hij op zandspiering, haring en sprot duikt. Broedt in rotsspleten, onder keien en op beschutte richels, niet op de open ledges waar zeekoeten schouder aan schouder staan. Overwinterende vogels zoeken plaatselijk de kust op bij aanhoudende wind uit het westen tot noordwesten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van IJsland, de Faeröer, Noorwegen, de Britse Eilanden en de westelijke Oostzee. Zuidelijker geen broedparen, maar van oktober tot maart is de alk gewoon op de Noordzee, waar hij bij zeetrektellingen en in olieslachtoffertellingen op het strand verschijnt. Verder overwintert hij in de Golf van Biskaje en langs de Cantabrische en Galicische kust, met kleinere aantallen tot in de Middellandse Zee.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga zeetrekken bij een stevige noordwesterstorm tussen november en februari, vanaf een kaap, dam of pier aan de Noordzee of de Atlantische kust, en tel het eerste uur na zonsopkomst: alken vliegen laag, in kleine losse groepjes met snelle slagen. Een veerbootovertocht over de Noordzee of de Golf van Biskaje levert bij rustig weer betere zichtwaarnemingen op, waarbij je kop en snavel op het water goed kunt vergelijken met zeekoeten. Let bij elke groep op vogels die hoger en directer vliegen dan zeekoeten en op de witte flankvlek die bij het draaien even oplicht.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; de Europese aantallen zijn de afgelopen decennia in Groot-Brittannië, IJsland en Scandinavië toegenomen. Bijvangst in staandwantnetten, olievervuiling en het inzakken van zandspieringbestanden blijven de belangrijkste risico's, en in sommige winters spoelen na langdurige stormen grote aantallen uitgeputte vogels aan. Vogelgriep trof in 2022 vooral andere zeevogels, maar liet ook bij alken lokaal sterfte zien.
Wetenschappelijke naam
Alca torda | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Alca voerde hij in datzelfde werk in. Alca komt uit het Noors: alke, de naam van deze vogel. torda gaat terug op törd, een Zweeds dialectwoord van Gotland voor dezelfde vogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Zweden.

