Alle soortenSteltloperachtigenJagers › Kleine jager

Kleine jager | Stercorarius parasiticus

Parasitic jaeger | Págalo parásito

De kleine jager is verreweg de talrijkste jager langs de Nederlandse kust en de enige die je met enige regelmaat achter een stern aan ziet duiken. Hij vliegt valkachtig en wendbaar, met een smalle hand en bij adulten twee spitse, kaarsrechte staartpennen.

Kleine jager (Stercorarius parasiticus)
Hoofdfoto · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Kleedvormen

Kleine jager, lichte vorm, met zwarte kap en witte onderdelen
Lichte vorm, met zwarte kap en witte onderdelen · Foto: AWeith — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Kleine jager, donkere vorm, egaal roetbruin
Donkere vorm, egaal roetbruin · Foto: Alaska Region U.S. Fish & Wildlife Service — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgzaam; alleen in de broedkolonie luidruchtig. Daar klinkt een miauwend, bijna katachtig kee-aaw in de baltsvlucht en een hard, nasaal tuk-tuk wanneer een vogel op een wandelaar of een vos duikt. De opname bij deze soort komt dan ook van een broedplaats: van een langstrekkende vogel voor de Nederlandse kust valt in de praktijk niets te horen.

Luister: Alarmroepen bij het nestXC609518

Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Middelgroot en slank, met een relatief kleine kop, een fijne donkere snavel en een lichte, uiterst wendbare vlucht. Adulten komen voor in een lichte en een donkere vorm met alle tussenvormen: lichte vogels hebben een zwarte kap, geelachtige halszijden, witte onderdelen en meestal een zwakke grijsbruine borstband, donkere vogels zijn egaal roetbruin met een iets lichtere kop. De verlengde centrale staartpennen van adulten zijn recht, stijf en scherp gepunt en steken vijf tot acht centimeter uit; in het najaar zijn ze vaak afgebroken. In alle kleden is er een duidelijke witte handpenvlek boven én onder de vleugel, gevormd door vier tot zes witte schachten. Juvenielen zijn warm bruin tot roodbruin, dicht en fijn gebandeerd, met een gestreepte kop en een kort maar spits uitstekend staartpuntje.

Verwarrings­soorten

Middelste jager is groter en forser, met een tonvormige borst, tragere en stijvere vleugelslag, een zwaardere tweekleurige snavel en bij adulten gedraaide, lepelvormige staartpennen; zijn juvenielen ogen kouder grijsbruin, hebben een egalere kop en tonen van onderen een dubbele witte vleugelvlek in plaats van één. Kleinste jager is kleiner en fijner, met een korte snavel, een grijze in plaats van bruine bovenzijde en vrijwel geen wit in de hand. Grote jager is kolossaal, egaal bruin, breed van vleugel en kort van staart. Een jager die een visdief of grote stern tot boven de duinen achtervolgt is in Nederland bijna altijd deze soort.

Leefgebied

Broedt in losse kolonies op kustheide, toendra, eilandjes en kwelders in Noord-Europa, meestal binnen bereik van kolonies van sterns en alkachtigen waarop hij zijn voedsel buitmaakt. Buiten de broedtijd op zee, waar hij haringachtigen bemachtigt door meeuwen en sterns net zo lang te achtervolgen tot die hun vangst loslaten. Op trek volgt hij de kustlijn en de sternentrek en komt daarbij dichter onder de kust dan de andere jagers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van IJsland en Schotland via Noorwegen en Zweden tot in Noord-Rusland; de kolonies op Orkney en Shetland zijn in enkele decennia meer dan gehalveerd. Zuidelijker alleen doortrekker: langs de Noordzeekust passeren van eind juli tot half oktober jaarlijks enkele duizenden vogels, verreweg de meeste bij harde westelijke wind. Langs de Cantabrische en Galicische kust en in de Straat van Gibraltar een reguliere doortrekker, tot langs Marokko, en in kleinere aantallen ook langs de Middellandse Zee.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kies een zeetrekpost — de kop van een pier of dam aan de Noordzee, een kaap in Galicië of de Straat van Gibraltar — bij noordwestenwind kracht 5 tot 7 in augustus of september, en tel de eerste drie uur na zonsopgang. Let vooral op sterns: waar een groep visdieven of grote sterns plotseling onrustig wordt, zit vrijwel altijd een kleine jager. Bij aflandige wind en vlakke zee is de kans klein; het weer bepaalt hier meer dan de datum.

Staat van instandhouding

Wereldwijd Niet bedreigd (LC), maar de Europese broedpopulatie gaat hard achteruit: op de Schotse eilanden met ruim de helft sinds de jaren negentig. Voedseltekort door het instorten van de zandspieringstand en predatie door de veel grotere grote jager zijn de belangrijkste oorzaken. In Noorwegen en IJsland is het beeld iets gunstiger, maar ook daar wordt afname gemeld, en de doortrek langs onze kust volgt die trend met enige vertraging.

Wetenschappelijke naam

Stercorarius parasiticus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Larus parasiticus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Stercorarius werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Stercorarius is Latijn voor 'van de mest', van stercus 'mest': het voedsel dat opgejaagde zeevogels uitbraakten werd vroeger voor uitwerpselen aangezien. parasiticus is Latijn voor 'parasitair', naar de gewoonte andere zeevogels hun vangst afhandig te maken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Zweedse kust.