Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Oosterse vorkstaartplevier
Oosterse vorkstaartplevier | Glareola maldivarum
Oriental pratincole | Canastera oriental
De Aziatische tegenhanger van onze vorkstaartplevier, en de lastigste van de drie om op naam te brengen. Hij jaagt als een grote zwaluw boven drassig land, met lange puntige vleugels, en zit daarna languit op de kale grond alsof hij daar hoort.
Geluid
Een hard, sternachtig tsjik-tsjik en een ratelend kirri-kirri, bijna altijd in de vlucht en vaak in koor als een groepje opvliegt. Het geluid is scherper en droger dan het geluid van de gewone vorkstaartplevier, maar het verschil is te klein om er een determinatie op te bouwen.
Opname: Sudipto Roy — CC BY-SA 3.0 · xeno-canto
Herkenning
Bovendelen olijfbruin, buik wit, met een oranjebruine gloed op de onderborst die naar de flanken toe vervaagt. De keel is warm okerbeige en scherp omlijst door een smalle zwarte rand; de snavelbasis is rood, de rest van de snavel zwart. De stuit is wit en de staart zwart met een ondiepe vork. Belangrijk is de vleugel-staartverhouding in rust: de vleugelpunten steken duidelijk voorbij de staartpunt uit. In vlucht is de ondervleugel kastanjebruin en ontbreekt de witte achterrand van de vleugel.
Verwarringssoorten
Tegenover de gewone vorkstaartplevier gaat het om staartlengte en achterrand: bij die soort reiken de staartpennen tot aan of voorbij de vleugelpunten en heeft de arm een duidelijke witte achterrand, die bij de oosterse ontbreekt. De ondervleugel is bij beide kastanjebruin en helpt daar dus niet. Tegenover de steppevorkstaartplevier is het juist de ondervleugel die beslist: die is bij de steppevariant zwart, bij de oosterse kastanjebruin, terwijl beide de witte achterrand missen. Let bovendien op de keelrand: bij de oosterse is de keel oranje-oker met een smalle, scherp getrokken zwarte omlijsting, bij de gewone romiger geel met een fijnere rand, en bij de steppevorkstaartplevier bleker met een zwaardere rand en zonder witte oogring.
Leefgebied
Broedt op kale, opdrogende vlaktes: zilte steppes, drooggevallen meeroevers, rivierbeddingen en braakliggende akkers, altijd met open zicht en nauwelijks vegetatie. Buiten de broedtijd jaagt hij boven rijstvelden, natte graslanden en slikken, in enorme groepen achter zwermen insecten aan. Vogels die in Europa opduiken worden meestal gevonden op een kale plas- en drasplek of een pas geploegde akker naast water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Pakistan en Noord-India oostwaarts door China tot Mantsjoerije en de Filipijnen; de winter wordt doorgebracht in Zuidoost-Azië en Noord-Australië. Hoe talrijk de soort daar is bleek in februari 2004, toen op Eighty Mile Beach in West-Australië ruim tweeënhalf miljoen vogels bij elkaar zaten. In Europa is het een grote zeldzaamheid, met vrijwel alle gevallen in Groot-Brittannië — vooral aan de zuid- en oostkust, te beginnen met een eerste vogel in 1981 — en een enkel geval verder rond de Noordzee; de eerste Nederlandse vogel, in 1997, werd aanvankelijk voor een gewone vorkstaartplevier aangezien.
Hoe en wanneer kijken
Elke vorkstaartplevier hier verdient een controle op staartlengte, onderarm en achterrand, want de drie soorten worden geregeld door elkaar gehaald. Fotografeer de vogel in vlucht als het kan: de onderzijde met de arm scherp beslist tussen kastanjebruin en zwart. Sommige vogels blijven wekenlang op dezelfde plek hangen, dus een schijnbaar gevestigde vogel is een tweede bezoek waard voor betere vluchtbeelden. In Spanje zijn de rijstvelden en moerassen van de Guadalquivir, de Ebrodelta en de Albufera in mei en juni de beste plekken om te zoeken.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd, met een populatie in de miljoenen, maar de trend is dalend. De belangrijkste druk komt van de omzetting van seizoensmoerassen en drooggevallen meeroevers in intensieve landbouw, en van het gebruik van insecticiden in de overwinteringsgebieden, waar de vogels vrijwel volledig van vliegende insecten leven.
Wetenschappelijke naam
Glareola maldivarum | Forster, 1795
Forster beschreef de soort in 1795 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Glareola werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Glareola is een Latijns verkleinwoord van glarea 'grind', naar de kale grindige grond waarop vorkstaartplevieren broeden. maldivarum betekent 'van de Malediven', naar de zee bij die eilanden, waar het beschreven exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit volle zee ter hoogte van de Malediven.



