Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Pontische meeuw
Pontische meeuw | Larus cachinnans
Caspian gull | Gaviota del Caspio
De pontische meeuw is een langgerekte, hoogpotige grote meeuw met een peervormige kop en een klein, donker oog. Sinds de jaren tachtig neemt hij in Nederland snel toe langs rivieren en vuilstorten.
Geluid
Dieper en nasaler dan zilvermeeuw. De langgerekte roep is een hees, klagend aaauw-a-a-a, waarbij de vogel ver voorover buigt en de vleugels in de zogenaamde albatrospositie omhoog steekt. Vooral te horen bij territoriaal gedrag in het voorjaar, maar ook in de winter op vuilstorten en slaapplaatsen.
Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · xeno-canto
Herkenning
Adult in winter met vrijwel witte, ongestreepte kop, klein donker oog, lange slanke snavel met zwakke gonyshoek en rode vlek, lange bleek vleeskleurige tot grijsgroene poten en een middengrijze mantel, tussen zilvermeeuw en geelpootmeeuw in. Veel zwart in de punt, met grote spiegel en lange grijze tong op de buitenste handpen. Eerstewinter opvallend witkoppig, met zwarte snavel, geblokte grote dekveren, donkere tertials met smalle zoom en smalle staartband.
Verwarringssoorten
Geelpootmeeuw is compacter en forser gekopt, met felgele poten, een dikke snavel met zware gonyshoek, een donkerder leigrijze mantel en meer zwart in de punt; zijn juveniele kleed is warmer bruin met breed gezoomde tertials. Zilvermeeuw is bleker grijs, heeft in de winter een sterk gestreept hoofd, roze poten en een geel oog. Let bij twijfel op silhouet, snavelvorm en het tekenpatroon van de tertials.
Leefgebied
Van oorsprong een vogel van steppemeren, riviereilanden en zoutmeren in het binnenland. In West-Europa vooral op grote rivieren, stuwmeren, zandwinplassen, vuilstorten en havens; minder maritiem dan zilver- en geelpootmeeuw. Slaapt in grote gemengde meeuwengroepen op open water, zandbanken en opgespoten terreinen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van Polen en Oekraïne tot Centraal-Azië, met een westwaartse uitbreiding langs Wisła, Oder en Rijn; in Nederland inmiddels kleine aantallen broedvogels en aanzienlijke aantallen doortrekkers en overwinteraars langs de grote rivieren en in de Delta. In Spanje is de soort een zeldzame maar bijna jaarlijkse dwaalgast, meestal onder grote meeuwen aan de kust.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
November tot februari is de beste periode. Ga bij een vuilstort of een riviergemaal in de late namiddag zitten wanneer meeuwen naar de slaapplaats komen, en scan systematisch op een lange, witkoppige vogel met slanke snavel. Fotografeer twijfelgevallen: pootkleur, tertialtekening en het handpenpatroon zijn thuis vaak beter te beoordelen.
Staat van instandhouding
In Europa sterk toegenomen en in areaal uitgebreid, deels dankzij voedsel op vuilstorten en langs rivieren. Sluiting van stortplaatsen en het opruimen van visafval kunnen de groei afremmen. Hybridisatie met zilvermeeuw en geelpootmeeuw in de contactzones is toenemend en bemoeilijkt zowel het determineren als het volgen van de aantallen.
Wetenschappelijke naam
Larus cachinnans | Pallas, 1811
Pallas beschreef de soort in 1811 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Larus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Larus is Latijn, ontleend aan het Griekse laros, en sloeg bij de klassieke schrijvers op een meeuw of een andere grote zeevogel. cachinnans is Latijn voor 'schaterlachend', van cachinnare 'luid lachen', naar de roep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Kaspische Zee.



