Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Rallen › Purperkoet
Purperkoet | Porphyrio porphyrio
Western swamphen | Calamón común
Een ral ter grootte van een kip, diep blauwpurper, met een snavel als een rode wig en poten die nergens ophouden. Halverwege de twintigste eeuw restte er in Spanje nog maar een handvol vogels, opeengepakt in de moerassen van de Guadalquivir; inmiddels loopt hij tot in de rijstvelden van de Ebrodelta en heeft hij Frankrijk bereikt.
Geluid
Luidruchtig en volstrekt onvogelachtig. Een hard, nasaal getrompetter dat in toon zakt, koe-aah, afgewisseld met kreunend gekerm en een blikkerig tsjak. Het draagt honderden meters over het riet en is vaak het eerste bewijs dat de soort er zit. Vooral in de schemering en in het voorjaar.
Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Groot en zwaar, egaal blauwpurper, met een diepblauwe borst en hals en een donkerder rug. De snavel is hoogrood en wigvormig en loopt door in een breed rood voorhoofdschild. De poten zijn vleesrood met enorme tenen, waarmee de vogel voedsel naar de snavel brengt. Onder de staart zit een opvallende witte vlek die bij elke stap wipt. Jonge vogels zijn dofgrijs met een grauwe snavel en pas na maanden purper.
Verwarringssoorten
In Europa is er nauwelijks verwarring mogelijk: de meerkoet is zwart met een wit schild, het waterhoen half zo groot en olijfbruin. Op afstand in het riet kan alleen het silhouet bedriegen. Let wel op vogels van andere purperkoet-taxa, zoals de grijskoppurperkoet met zijn grijze kop en hals: die worden sinds 2015 meestal als aparte soorten behandeld en duiken in Europa op als ontsnapte vogels. De Europese vogels behoren tot het taxon porphyrio.
Leefgebied
Permanent, ondiep zoet water met dichte oevervegetatie: rietvelden, lisdodde, papyrus en biezen langs lagunes en marismas, verder rijstvelden, irrigatiekanalen, grindgaten en de oevers van stuwmeren. Foerageert lopend over drijvende vegetatie en op de rietrand, vaak in het volle zicht op het eerste ochtendlicht.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het Iberisch Schiereiland, Sardinië, Sicilië, Noordwest-Afrika en delen van Turkije. In Spanje het zwaartepunt: Doñana en de Guadalquivir-marismas als historische kern, van waaruit de soort dankzij bescherming en herintroducties ook El Hondo en de Valenciaanse lagunes, de Albufera, en sinds de jaren negentig de Ebrodelta en de Empordà bereikte; ook op de Balearen broedt hij, met s'Albufera de Mallorca als bolwerk. Vanuit Catalonië is de soort de Franse Middellandse Zeekust (Languedoc en de Camargue) binnengetrokken. In Nederland staat de purperkoet niet als wilde gast op de lijst; waarnemingen gaan terug op ontsnapte vogels.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in maart of april naar Doñana, El Hondo of de Albufera van Valencia en zet je bij zonsopgang aan de rand van een rietveld. De vogels klimmen dan in het riet om zaadpluimen af te bijten en zijn een half uur lang goed te zien. Ga af op het geluid: het getrompetter verraadt ze voordat je ze ziet.
Staat van instandhouding
In Zuid-Europa is de soort sterk hersteld. Na jachtverbod, bescherming van de laatste moerassen en een reeks herintroducties nam de Spaanse stand toe van enkele honderden paren begin jaren negentig tot enkele duizenden aan het eind van dat decennium, en de opmars langs de oostkust gaat door. Blijvende risico's zijn het droogvallen van wetlands, het maaien en verbranden van riet in de broedtijd en lood- en pesticidenbelasting in rijstgebieden.
Wetenschappelijke naam
Porphyrio porphyrio | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Fulica porphyrio; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Porphyrio werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Porphyrio is Latijn, van het Griekse porphuriōn, bij de klassieke schrijvers de naam van het purperhoen, afgeleid van porphura 'purper'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kusten van de westelijke Middellandse Zee.




