Alle soortenHoenderachtigenFazantachtigen › Rode patrijs

Rode patrijs | Alectoris rufa

Red-legged partridge | Perdiz roja

De patrijs van het droge zuiden: rode snavel, rode poten en een witte keel waaruit een halssnoer van zwarte strepen over de borst uitwaaiert. In Spanje is dit dé jachtvogel, met een eigen woordenschat en een eigen jachttraditie, en juist daardoor een vogel waarvan de wilde stam onder druk staat; in Groot-Brittannië is hij, na de fazant, de meest uitgezette vogel van het platteland, en vrijwel elke vogel die je daar ziet stamt af van uitgezette dieren — de wilde vogels van Iberië en Zuid-Frankrijk zijn een heel andere zaak.

Rode patrijs (Alectoris rufa)
Hoofdfoto · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een ritmisch, stampend geluid als een oude stoommachine: een aanloop van losse tsjek-noten die overgaat in tsjek-tsjek-tsjekara, meestal vanaf een steen, een muurtje of een paal. Daarnaast een snel ti-ti-ti-ti en een zacht ko-ko-ko tussen de vogels van een groepje. Meest te horen van februari tot mei, in de eerste en laatste uren van de dag.

Luister: ZangXC917399

Opname: Thomas SIGNEAU — CC BY-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Stevig, grijsbruin hoen met koraalrode snavel, rode oogring en rode poten. Keel en wangen wit, omlijst met zwart, maar die omlijsting loopt naar onder uit in een breed veld van zwarte strepen en druppels over hals en bovenborst. Kruin warm roodbruin, voorhoofd grijzig, met een smalle witte wenkbrauwstreep die boven de snavel doorloopt. Flanken breed gebandeerd in wit, zwart en kastanje. Buik oranjebruin. In vlucht laag en snel, met roestbruine staartzijden.

Verwarrings­soorten

Alleen de rode patrijs heeft een zwarte keelomlijsting die niet gesloten blijft: onder de witte keel valt hij uiteen in een breed veld van zwarte strepen en druppels over hals en bovenborst, en in de flankbanden zit naast zwart en wit ook duidelijk kastanje. Kruin warm roodbruin. De europese steenpatrijs, die in de westelijke Alpen en de Ligurische Apennijnen hoger op dezelfde hellingen zit, heeft een zuiver witte keel die verder op de bovenborst doorloopt, met een gave, mesjescherpe zwarte band, zwart aan de snavelbasis, een blauwgrijze kruin en nek en brede, ver uit elkaar staande flankbanden. De aziatische steenpatrijs heeft een roomkleurige keel, een gesloten maar iets bredere en rafeliger band, een grijsbruine kruin met wijnrode zweem, een roestbruine oorvlek binnen de zwarte oogstreep en smallere, talrijker banden die vooral zwart-wit ogen. De barbarijse patrijs heeft in het geheel geen zwarte band, maar een kastanjebruine kraag met witte spikkels om een blauwgrijs gezicht; rode en barbarijse patrijs raken elkaar bij de Straat van Gibraltar en komen door uitzettingen ook op Sardinië samen voor. Het grootste veldprobleem is de hybride. Door uitzettingen van kweekvogels lopen in Spanje en Italië chukars en kruisingen chukar × rode patrijs vrij rond; die hebben een romiger keel, een band die maar half in strepen uiteenvalt en flanken met weinig kastanje. In de Sierra de Guadarrama bleek bij een genetische steekproef één op honderd vogels binnen het park vermengd, tegen bijna negen procent in de omliggende jachtvelden. In Groot-Brittannië werden chukars en kruisingen tot het uitzetverbod van begin jaren negentig eveneens op grote schaal losgelaten, en hybride genen zijn uit de fokkerijen nooit helemaal verdwenen; elke daar geschoten vogel met een opvallend schone keel verdient een tweede blik voordat hij als rode patrijs wordt geboekt.

Leefgebied

Droog, open cultuurland: graanakkers en stoppels, braak, wijngaarden, olijfgaarden, dehesa en de garrigue en lage struikranden daartussen. Nodig zijn kale grond om te scharrelen, zaadrijke randen en dekking binnen een paar passen. Tot ruim tweeduizend meter in de Spaanse berggebieden, waar de vogels tot in de bremvelden komen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van nature Iberië, Zuid- en Midden-Frankrijk en Noordwest-Italië. Ingeburgerd in Engeland en Wales, waar de vogels teruggaan op uitzettingen vanaf een landgoed in Suffolk sinds de late achttiende eeuw, en losgelaten op onder meer de Azoren, Madeira en Gran Canaria. In Groot-Brittannië werd de broedstand in 2016 op ongeveer 73.000 territoria geschat, met daarnaast zo'n tien miljoen jaarlijks uitgezette fokvogels — een heel andere vogel dan de wilde Iberische stam. De arealen raken die van de europese steenpatrijs in de westelijke Alpen en de Apennijnen, en die van de barbarijse patrijs rond de Straat van Gibraltar en op Sardinië.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij jou in de buurt, in Groot-Brittannië, loop in maart en april bij zonsopgang akkerranden en braakstroken af, wanneer de hanen roepen vanaf paaltjes en molshopen. Op het Iberisch Schiereiland rijd je in diezelfde maanden langzaam over de landwegen van La Mancha, Extremadura of de Ebrovallei en stop je bij elk roepend dier; later op de dag lopen ze onder de olijfbomen en in de stoppel en zie je hoogstens een wegrennende rug. Jachtgebieden waar in het voorjaar met lokroep wordt gejaagd, zijn vaak de beste aanwijzing waar nog wilde patrijzen zitten.

Staat van instandhouding

Gevoelig, met een sterke afname: in Spanje ruim veertig procent sinds 1998. Schaalvergroting, het verdwijnen van braak en zaadrijke randen, insectenverlies voor de kuikens en zware jachtdruk werken samen. Daarbovenop komt de jaarlijkse uitzet van miljoenen kweekvogels, die de wilde stam genetisch vermengt met chukar-bloed en ziektes verspreidt. In de Sierra de Guadarrama is het bijzetten in de bufferzone sinds 2013 verboden om de hooggelegen populatie zuiver te houden.

Wetenschappelijke naam

Alectoris rufa | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tetrao rufus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Alectoris werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Alectoris is Grieks, van alektoris 'hen, erfhoen', bij alektōr 'haan'. rufa is Latijn voor 'rood', naar de rode snavel en poten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noordelijk Italië.