Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Roodborst
Roodborst | Erithacus rubecula
European robin | Petirrojo europeo
De roodborst is in Noordwest-Europa het toonbeeld van tamheid en in Zuid-Europa een schuwe bosvogel die zich nauwelijks laat zien. Tegelijk is hij een van de agressiefste territoriumverdedigers van het bos.
Geluid
De zang is een dun, parelend en weemoedig stroompje hoge tonen dat in korte strofen komt, telkens anders van vorm en vaak eindigend in een fijne triller. Wordt bijna het hele jaar gezongen, ook door vrouwtjes in de winter, en vaak in het donker bij straatlantaarns. Roep: een scherp tik... tik-tik en een fijn, langgerekt tsieh.
Opname: Marie-Lan Taÿ Pamart — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Rond, kortnekkig en grootogig, met een oranjerode borst en gezicht die naar de flanken toe blauwgrijs omzoomd zijn, olijfbruine bovendelen en lange dunne poten. Geslachten zijn in het veld niet te onderscheiden. Jonge vogels missen elk rood en zijn geheel geelbruin geschubd, maar hebben dezelfde ronde vorm, grote ogen en rechtopstaande houding.
Verwarringssoorten
Juveniele roodborsten worden verward met jonge nachtegaal en gekraagde roodstaart; die laatste heeft een roestrode staart die voortdurend trilt, de nachtegaal is groter met een lange, warmbruine staart. Het roodborsttapuit heeft een korte staart, een donkere kop en witte vleugelvlek en zit op open struweel, niet in de ondergroei.
Leefgebied
Vochtig loofbos en gemengd bos met dichte ondergroei en veel strooisel, verder parken, kerkhoven, tuinen, houtwallen en beekdalen. In het zuiden van Europa zomers vooral in bergbos en beukenbos; buiten de broedtijd ook in olijfgaarden, rivierbossen en struweel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Vrijwel heel Europa. In Nederland jaarrond talrijk; onze eigen vogels trekken deels weg en worden in oktober vervangen door grote aantallen Scandinavische en Baltische doortrekkers en wintergasten. In Spanje broedt hij in de noordelijke helft en in de bergen, en overwintert hij in enorme aantallen door het hele land, tot in de zuidelijke olijfgaarden en op de eilanden.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vanaf oktober zit er in vrijwel elke tuin, olijfgaard of dennenbosje een winterterritorium, dat met tikkende roep verdedigd wordt. Zoek hem in de schemering laag bij de grond, langs paden waar wildzwijnen of tuinlieden de bodem hebben omgewoeld; in Zuid-Europa hoor je hem eerder dan je hem ziet.
Staat van instandhouding
Talrijk en stabiel tot licht toenemend in het grootste deel van het areaal. Strenge winters veroorzaken plaatselijk sterfte, en in mediterrane landen kost de traditionele vangst met lijmstokken en strikken nog altijd vogels. Het verdwijnen van struiklaag door begrazing en te net bosbeheer is de belangrijkste habitatzorg.
Wetenschappelijke naam
Erithacus rubecula | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Motacilla rubecula; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Erithacus werd in 1800 ingevoerd door Cuvier. Erithacus is Grieks: erithakos was bij de klassieke schrijvers de naam van een vogel die men tegenwoordig doorgaans met de roodborst vereenzelvigt. rubecula is een Latijnse verkleinvorm bij ruber 'rood', naar de oranjerode borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.




