Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Zwarte roodstaart
Zwarte roodstaart | Phoenicurus ochruros
Black redstart | Colirrojo tizón
Van oorsprong een vogel van rotswanden en puinhellingen, die industrieterreinen, spoorwegemplacementen en dorpsdaken heeft geadopteerd. Zijn krassende zang klinkt in de eerste ochtendschemering vanaf een schoorsteen of nokbalk, ruim voor alle andere vogels.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
De zang bestaat uit een korte, ijle strofe hoge tonen, gevolgd door een merkwaardig ruisend, knisperend geluid als vermalen grind, en een afsluitend rijtje snelle noten: tsrie-tsrie-tsrie... srrrtsjschh... tsi-tsi-tsi. Zingt van maart tot juli, vooral in het eerste licht en opnieuw bij zonsondergang. Roep: tsiep gevolgd door een klakkend tk-tk.
Opname: Marie-Lan Taÿ Pamart — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Donkere roodstaart met een roestrode staart en stuit die bij elke landing trilt. Het adulte mannetje is roetzwart met een grijze kruin en een witte vleugelspiegel, zichtbaar als een lichte streep op de gevouwen vleugel. Vrouwtjes en eerstejaars mannetjes zijn egaal donker roetgrijs, zonder oranje op de borst; jonge vogels zijn vaag gevlekt, maar altijd met dezelfde rode staart.
Verwarringssoorten
Gekraagde roodstaart is het echte verwarringsrisico: het mannetje heeft een wit voorhoofd en oranje onderdelen, en het vrouwtje is warm zandbruin met een lichte, oranje getinte borst en buik, waar zwarte roodstaart koud grijszwart is. Kijk ook naar de habitat: gekraagde roodstaart hoort bij oude boomholtes, zwarte roodstaart bij steen en beton.
Leefgebied
Rotswanden, steengroeves, puinhellingen en alpenweiden met blokken; in Noordwest-Europa vrijwel geheel verstedelijkt: industrieterreinen, havens, fabrieksdaken, kerktorens, nieuwbouw in aanbouw en spoorterreinen. Altijd met een combinatie van kale, harde ondergrond, hoge zangposten en holtes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van Midden- en Zuid-Europa noordwaarts tot Zuid-Scandinavië. In Nederland een zomergast van maart tot oktober, geconcentreerd in stedelijk en industrieel gebied in het zuiden en oosten, met een handvol overwinteraars. In Spanje broedt hij in de Pyreneeën, het Cantabrisch gebergte, het Centraal en Iberisch Scheidegebergte, de Sierra Nevada en talloze dorpen en steden, tot hoog boven de boomgrens, en overwintert hij talrijk in het laagland, in olijfgaarden, ramblas en op kustklippen.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In april en mei kort na zonsopgang: zoek een hoog punt met uitzicht over daken en luister naar het knisperende deel van de zang, dat over het verkeersgeluid heen draagt. In Spanje is de winter juist het makkelijkst; dan zit hij op muurtjes en tv-antennes in elk dorp, en op strandpromenades.
Staat van instandhouding
Over het grootste deel van Europa stabiel tot toenemend, mede dankzij de kolonisatie van steden en industrie. Renovatie van gebouwen, het afdichten van nissen en gaten en het strak afwerken van nieuwbouw kosten nestplaatsen, en het opruimen van braakliggende terreinen neemt broedgelegenheid weg.
Wetenschappelijke naam
Phoenicurus ochruros | (Gmelin, 1774)
Gmelin beschreef de soort in 1774 als Motacilla ochruros; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoenicurus werd in 1817 ingevoerd door Forster. Phoenicurus is Grieks, van phoinix 'rood' en -ouros '-staartig'. ochruros is Grieks, van okhros 'lichtgeel' en -ouros '-staartig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de bergen van Gilan in Iran.




