Alle soortenSpechtachtigenSpechten › Zwarte specht

Zwarte specht | Dryocopus martius

Black woodpecker | Pito negro

Met het formaat van een kraai is de zwarte specht de grootste specht van Europa. Zijn roffel en luide vluchtroep bepalen in het voorjaar het geluidsbeeld van oude bossen, en zijn nestholtes vormen de woningvoorraad voor een hele reeks andere soorten.

Zwarte specht (Dryocopus martius)
Hoofdfoto · Foto: Frank Vassen — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Twee heel verschillende roepen: een luid, ver dragend kliejo-kliejo-kliejo in de vlucht en een klagend, langgerekt kwiehh vanaf een tak. De roffel is de langste van al onze spechten — twee tot drie seconden, traag en dreunend, tot ver in het bos hoorbaar.

Luister: Roepen, zittend en in vluchtXC108340

Opname: Alexander Kurthy — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Geheel zwart, met een ivoorwitte snavel en een lichte iris die het gezicht een starende uitdrukking geeft. Het mannetje heeft een volledig rode kruin, het vrouwtje alleen een rode vlek op het achterhoofd. De vlucht is opvallend: krachtig maar wat onregelmatig en 'los', niet het golvende patroon van kleinere spechten.

Verwarrings­soorten

In vlucht en op afstand een zwarte kraai — let op de rechte, wat schokkerige vleugelslag, de langere hals en de lichte snavel. Verwarring met andere spechten is door het formaat uitgesloten.

Leefgebied

Uitgestrekt, ouder loof- en naaldbos met dikke bomen: beuken voor nestholtes, grove dennen en dood staand hout voor voedsel. Foerageert veel op de grond en op stronken, gespecialiseerd in mieren en boktorlarven.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Van Spanje en Frankrijk tot Scandinavië, Rusland en Japan; op het Iberisch Schiereiland vooral in de beuken- en dennenbossen van de Pyreneeën en het Cantabrisch gebergte, met een opmars zuidwaarts. In Nederland vooral op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug, in Drenthe, Brabant en Limburg. De soort profiteert van het ouder worden van Nederlandse bossen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Februari tot april, bij voorkeur op een rustige ochtend. Zoek naar de karakteristieke, hoge ovale of rechthoekige holen in gladde beukenstammen en naar grote, uitgehakte gaten onderin dode stronken. Die holen worden later gebruikt door holenduif, bosuil, ruigpootuil en zelfs boommarter.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (IUCN: Least Concern) en in West-Europa langzaam uitbreidend. Behoud van dikke, oude bomen en staand dood hout is de belangrijkste voorwaarde; kaalslag en het opruimen van dood hout doen de soort direct verdwijnen.

Wetenschappelijke naam

Dryocopus martius | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Picus martius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Dryocopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Dryocopus gaat terug op het Griekse druokopos 'specht', van druos 'boom' en kopos 'het beuken'. martius is Latijn voor 'van Mars'; de Romeinen kenden de specht als picus Martius, de vogel van de oorlogsgod. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.