Alle soortenSpechtachtigenSpechten › Groene specht

Groene specht | Picus viridis

European green woodpecker | Pito real

Een grote groene specht die zijn kost vooral op de grond zoekt, waar hij met een enorme tong mierennesten leegzuigt. Zijn lachende roep is een van de meest opvallende geluiden van het parklandschap.

Groene specht (Picus viridis)
Hoofdfoto · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een luide, doorlopende, licht dalende lachroep kju-kju-kju-kju, over grote afstand hoorbaar en het hele jaar te horen maar het luidst van februari tot mei. Roffelt zelden, en dan zacht en aarzelend, wat hem meteen van de bonte spechten onderscheidt. In de vlucht een kort, hard kjuk.

Luister: Lachroep (zang)XC542203

Opname: Benoît Van Hecke — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Fors en zwaargebouwd, groen van boven met een gele stuit die opvalt zodra hij wegvliegt, een rode kruin tot in de nek en een zwart masker rond een lichte iris. Het mannetje heeft een rode kern in de zwarte baardvlek, het wijfje een geheel zwarte. Jonge vogels zijn zwaar gevlekt en gebandeerd. Zware, diep golvende vlucht, meestal laag over gras.

Verwarrings­soorten

In Iberia is de vergelijking met de Iberische groene specht beslissend: die heeft een grijzer gezicht met veel minder zwart rond het oog, mist het volle zwarte masker en geldt inmiddels als aparte soort. Grijskopspecht is kleiner en zachter groen, met grijze kop, rood alleen op het voorhoofd bij het mannetje en geen masker, en roept in een duidelijk dalende, wegstervende reeks.

Leefgebied

Halfopen landschap: oude landgoederen, boomgaarden, houtwallen, bosranden en heidevelden, altijd met kort, mierenrijk gras of open zand binnen bereik. Ook op golfbanen, in parken en in grote tuinen met oude loofbomen om een nestholte in te hakken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Heel Europa behalve Ierland, IJsland en het uiterste noorden, oostwaarts tot Turkije en de Kaukasus. In Noordwest- en Midden-Europa algemeen op zandgronden, in duinen en op landgoederen. In Iberië vervangen door de Iberische groene specht; echte Picus viridis broedt daar alleen in de Pyreneeën en het uiterste noordoosten. Standvogel.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop in maart en april vroeg over een landgoed, duinrand of heideveld met kort gras en luister naar de lach; scan daarna kale grasplekken en mierenbulten. Opvliegende vogels tonen de gele stuit. Zachte, sneeuwvrije winters geven de beste kansen op langdurig foeragerende vogels.

Staat van instandhouding

In Noordwest-Europa de laatste decennia toegenomen dankzij zachte winters en meer kort begraasd grasland, maar strenge winters met langdurige sneeuwbedekking doen de stand tijdelijk instorten. Het verlies van mierenrijke schrale graslanden door bemesting, verruiging en vergrassing blijft de belangrijkste bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Picus viridis | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Picus voerde hij in datzelfde werk in. Picus is het Latijnse woord voor 'specht' en tevens de naam van Picus, in de Romeinse mythologie de eerste koning van Latium, die door de tovenares Circe in een specht werd veranderd. viridis is Latijn voor 'groen', naar het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.