Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Amerikaanse smient
Amerikaanse smient | Mareca americana
American wigeon | Silbón americano
Een Noord-Amerikaanse smient die vrijwel jaarlijks in Nederlandse smientenkoppels opduikt. De man verraadt zich door zijn romige kruin en groene oogmasker, maar juist de vrouwtjes vragen geduldig speurwerk.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
De man fluit anders dan de smient: een droog, drieledig whi-whiu-whiu met een nasale, kwakende klank, waar de smient een schel en helder wiew laat horen. Het vrouwtje geeft een laag knorrend krr-krr. Vooral te horen in baltsende wintergroepen van januari tot maart, wanneer mannetjes elkaar achtervolgen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
De man heeft een grijs gespikkelde kop met een roomwitte kruinstreep en een breed groen masker van het oog tot in de nek; borst en flanken zijn wijnroze en vóór de zwarte staartwig staat een wit flankvlak. Vrouwtje en eclipsman zijn warm roodbruin op de flanken met een scherp afstekende grijze kop, en tonen onder de vleugel witte oksels.
Verwarringssoorten
Alles draait om de smient. Bij de man vervangt een roomwitte kruin met groen oogmasker de kastanjebruine kop met gele bles, en zijn de flanken wijnroze in plaats van grijs. Bij vrouwtjes is de scherpe grens tussen grijze kop en roodbruine flanken doorslaggevend, samen met de witte oksels; de smient heeft grijze oksels.
Leefgebied
Ondiepe wateren met kort begraasde oevers: ondergelopen graslanden, brakke kreken, zoete plassen en getijdengebied. In Noordwest-Europa, waar de meeste meldingen vandaan komen, vrijwel altijd tussen grote grazende smientengroepen op nat grasland of langs zoetwatermeren. Graast op het land of plukt zwemmend van het wateroppervlak, en duikt vrijwel nooit.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt in Alaska en Canada en overwintert in Noord-Amerika; in het kaartgebied een zeldzame maar vrijwel jaarlijkse dwaalgast, vooral in Noordwest-Europa: enkele vogels per winter in de Lage Landen, in delta's en op de grote binnenwateren, en verder op IJsland. In Iberië veel zeldzamer, met losse waarnemingen in Galicië en de Ebrodelta.
Hoe en wanneer kijken
Zoek van december tot maart de grote smientenkoppels op nat grasland af, bij voorkeur in de ochtend als de vogels dicht opeen grazen. Werk met de telescoop systematisch kop voor kop; de romige kruin van de man springt eruit zodra hij zijn hoofd optilt. Controleer bij opvliegende groepen de witte oksels.
Staat van instandhouding
Wereldwijd talrijk en stabiel, met een ruime broedverspreiding in het Noord-Amerikaanse boreale gebied. De Europese waarnemingen betreffen echte dwaalgasten en zeggen weinig over de populatie. Drooglegging van prairiemoerassen en jachtdruk in de overwinteringsgebieden zijn de bekendste drukfactoren, maar de soort verdraagt die vooralsnog goed.
Wetenschappelijke naam
Mareca americana | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Anas americana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Mareca werd in 1824 ingevoerd door Stephens. Mareca gaat terug op het Portugese marreco, een woord voor een kleine eend. americana is Latijn voor 'Amerikaans', naar het Noord-Amerikaanse broedgebied. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Louisiana en New York.



