Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Audouins meeuw
Audouins meeuw | Ichthyaetus audouinii
Audouin's gull | Gaviota de Audouin
Een slanke, langvleugelige meeuw van de Middellandse Zee, met een spierwitte kop, een lichtgrijze mantel, donkere poten en een korte donkerrode snavel. Het meest verraderlijke kenmerk is de vlucht: laag en soepel vlak boven de branding, met soepele slagen en lange glijstukken, eerder stern dan meeuw.
Geluid
Een droge, nasale roep: een blaffend kèh-kèh en een krassend gèk, zonder het lachende gejank van de grote meeuwen. Bij de kolonie klinkt aanhoudend, geagiteerd gekras dat ver over water draagt; losse vogels op zee zijn doorgaans stil. Wie de toon eenmaal kent, hoort in een Spaanse vissershaven het verschil met de geelpootmeeuw zonder de kijker op te tillen.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Volwassen vogels zijn wit met een licht blauwgrijze mantel en een lange, ver uitstekende vleugelpunt met veel zwart en kleine witte toppen. De snavel is kort en hoog, koraalrood met een zwarte band en een bleke punt, en oogt op afstand simpelweg donker. De poten zijn olijfgrijs tot bijna zwart, het oog donker met een rode ring, en het voorhoofd loopt vloeiend af, wat de kop zacht en duifachtig maakt. Eerstejaars vogels zijn koel grijsbruin en contrastrijk, met een lichte kop, een witte stuit en een brede zwarte staartband; ook dan blijven de donkere poten en de lange, smalle vleugel het beste houvast.
Verwarringssoorten
Toets altijd tegen de geelpootmeeuw, de standaardmeeuw van dezelfde kusten. Die heeft een zware gele snavel met rode gonysvlek, chroomgele poten, een bleek oog en een hoekige, stoere kop; de audouins meeuw heeft een korte donkere snavel met de rode band die op afstand gewoon zwart lijkt, donkere poten, een donker oog en een zachtere, ronde kopvorm. De bouw scheelt evenzeer: langere en smallere vleugels, een kortere staart, en een lichte, lage vlucht vlak over zee, waar de geelpootmeeuw zwaarder en hoger doortrekt. In een rustende groep pik je hem eruit aan het slanke, hoogbenige silhouet en aan de bijna zwarte poten tussen de gele.
Leefgebied
Rotseilandjes en kliffen, lage zandige eilandjes, strandhaken, zoutpannen en vissershavens. Foerageert overwegend op open zee, laag boven het water op sardine en ansjovis, veel bij schemer en in het donker, en achter trawlers. Zoet binnenwater mijdt de soort vrijwel volledig; hij blijft aan de zoute kust gebonden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Vrijwel de hele wereldpopulatie broedt in het Middellandse Zeegebied, met het zwaartepunt aan de Spaanse oostkust: de Ebrodelta, waar de Punta de la Banya decennialang de grootste kolonie ter wereld droeg met meer dan twee derde van alle vogels, de Columbretes, Isla Grosa, de zoutpannen van Santa Pola en Torrevieja, de Balearen (Cabrera, Sa Dragonera, Illa de l'Aire) en de Chafarinas-eilanden voor Marokko; verder op Corsica en Sardinië en langs de Noord-Afrikaanse kust, en in klein aantal in Griekenland. Buiten de broedtijd trekt een groot deel naar de Atlantische kust van Marokko, Mauritanië en Senegal, terwijl een toenemend aantal aan de Algarve en in de Golf van Cádiz blijft hangen. Ten noorden van Iberië is het een dwaalgast, met verspreide gevallen op de Britse Eilanden en langs de Noordzeekust.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga aan de westelijke Middellandse Zeekust bij zonsopkomst of laat in de middag op een strandhoofd of pier staan: dan schuiven de vogels laag langs de branding en zie je poten en snavel op de goede afstand. De vissershavens van Castellón, Sant Carles de la Ràpita en Torrevieja leveren bij binnenkomst van de vloot rustende groepen op tien tot twintig meter; buiten de broedtijd zijn de zoutpannen van de Algarve tussen Tavira en Faro bij hoogwater de betrouwbaarste plek voor een eerste kennismaking. Neem de tijd voor alle leeftijden; juist de koele, contrastrijke eerstejaars zijn de vogels waarop je hier moet oefenen.
Staat van instandhouding
De IUCN zet de soort weer op kwetsbaar (VU), na een periode waarin het juist goed leek te gaan. In de jaren zestig ging het om een kleine duizend paren; na de vestiging in de Ebrodelta in 1981 groeide de wereldpopulatie tot ruim vijftienduizend paren en werd de status stap voor stap teruggeschaald naar niet bedreigd. Sinds vossen in 2017 de kolonie op de Punta de la Banya bereikten is die kern grotendeels weggevallen en zijn de vogels verspreid geraakt over kleinere, kwetsbaardere kolonies. Daarbij komen een krimpende trawlvloot en minder visserijafval, predatie door ratten en geelpootmeeuwen, en verstoring van lage broedeilanden.
Wetenschappelijke naam
Ichthyaetus audouinii | (Payraudeau, 1826)
Payraudeau beschreef de soort in 1826 als Larus audouinii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ichthyaetus werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Ichthyaetus is Grieks, van ikhthus 'vis' en aetos 'arend', dus 'visarend'. audouinii eert de Franse natuuronderzoeker Jean Victoire Audouin (1797–1841). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sardinië en Corsica.



