Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen en sterns › Zwartkopmeeuw

Zwartkopmeeuw | Ichthyaetus melanocephalus

Mediterranean gull | Gaviota cabecinegra

De zwartkopmeeuw is een slanke, hoogpotige meeuw die in enkele decennia van mediterrane zeldzaamheid tot vaste Nederlandse broedvogel werd. Zijn klagende roep boven een kokmeeuwenkolonie is vaak de eerste aanwijzing.

Zwartkopmeeuw (Ichthyaetus melanocephalus)
Hoofdfoto · Foto: Pierre-Marie Epiney — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Onmiskenbaar en het beste veldkenmerk op afstand: een klagend, opklimmend en nasaal kjieuw of èh-jèh, dat aan een jengelend kind of een miauwende kat doet denken. Roept vooral in vlucht boven kolonies en foerageergebied, van maart tot juli, en verraadt zo geregeld enkelingen tussen honderden kokmeeuwen.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1094934

Opname: Noé Ferrari — CC BY 4.0 · xeno-canto

Herkenning

Adult in zomerkleed met een diepzwarte kap tot ver in de nek, brede witte ooglidsikkels, een zware, iets hangende koraalrode snavel met zwarte subterminale band en gele punt, en donkerrode poten. De mantel is bleek zilvergrijs, lichter dan bij kokmeeuw, en de vleugelpunt is volledig wit zonder enig zwart. Winteradult met donker masker; eerstejaars met donkergrijze mantel, zwartige hand en zwarte staartband, tweedejaars met resterende zwarte tekening in de punt.

Verwarrings­soorten

Kokmeeuw is het echte struikelblok: kleiner, met bruine in plaats van zwarte kap die de nek vrijlaat, dunnere donkerrode snavel en een witte wig in de hand met zwarte achterrand. Eerstejaars zwartkopmeeuw lijkt op eerstejaars stormmeeuw, maar heeft een donkerder masker, schubbig getekende schouderveren, een bleker binnenhandvenster en een rechtere, dikkere snavel.

Leefgebied

Broedt op eilandjes, opgespoten terreinen, zandplaten en in kwelders, vrijwel altijd te midden van kokmeeuwenkolonies. Foerageert veel op het land: grasland, bouwland en pas geploegde akkers, waar hij insecten, emelten en regenwormen zoekt. Buiten de broedtijd langs stranden, havens, riviermondingen en zoutpannen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Oorspronkelijk een soort van de Zwarte Zee, sinds de jaren zeventig sterk naar het noordwesten uitgebreid. Nederland heeft nu kolonies in het Deltagebied, langs de grote rivieren en op de Waddeneilanden. In Spanje broedt de soort in de Ebrodelta en de zuidelijke zoutpannen en overwintert hij talrijk langs de mediterrane en Atlantische kust.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga in april of mei naar een kokmeeuwenkolonie in de Delta of langs de rivieren en gebruik je oren voor je ogen. Loop daarnaast in maart bouwland af waar meeuwen achter de ploeg lopen: adulte zwartkoppen vallen dan op door hun bleke mantel en zuiver witte vleugelpunten.

Staat van instandhouding

In Europa fors toegenomen en westwaarts uitgebreid; de Nederlandse stand groeide sterk maar staat plaatselijk onder druk. Predatie door vossen en grote meeuwen, verruiging van broedeilanden, overstroming van laaggelegen kolonies en verstoring zijn de knelpunten. Recent zorgde vogelgriep in enkele West-Europese kolonies voor aanzienlijke sterfte.

Wetenschappelijke naam

Ichthyaetus melanocephalus | (Temminck, 1820)

Temminck beschreef de soort in 1820 als Larus melanocephalus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ichthyaetus werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Ichthyaetus is Grieks, van ikhthus 'vis' en aetos 'arend', dus 'visarend'. melanocephalus is Grieks, van melas 'zwart' en -kephalos '-koppig', naar de zwarte kap van het zomerkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kust van de Adriatische Zee.