Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Bijeneters › Bijeneter
Bijeneter | Merops apiaster
European bee-eater | Abejaruco europeo
Misschien de bontste vogel van Europa: kastanjebruin, goudgeel en turkoois, met een sikkelvormige snavel en spitse staartpennen. Kolonies verraden zich van ver door hun rollende roep hoog in de lucht.
Geluid
Een vloeiend, rollend, ver dragend proe-proe of krroe-krroe, meestal afkomstig van een onzichtbare groep hoog overtrekkende vogels. Vrijwel onophoudelijk in de vlucht van eind april tot september; bij de kolonie klinkt daarnaast een druk, gorgelend geroezemoes.
Opname: Pascal Christe — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Slank, met lange spitse driehoekige vleugels, verlengde middelste staartpennen en een lange, licht gebogen snavel. Kastanjebruine kruin en rug lopen over in gouden schouders, de onderdelen zijn turkoois, de gele keel wordt begrensd door een smalle zwarte band en een zwarte oogstreep. Snelle slagen wisselen met lange glijvluchten; jongen zijn groener en missen de staartpunten.
Verwarringssoorten
Scharrelaar is even kleurig maar veel forser en kraaiachtig, met rechte zwarte snavel, hemelsblauwe onderdelen zonder gele keel en een zware, klepperende vlucht; hij zit bovendien lang stil op draad of paal. Hoog overtrekkende bijeneters worden op silhouet vaak voor gierzwaluwen of zelfs steltlopers aangezien, tot het geluid komt.
Leefgebied
Warme open en halfopen landschappen met zandige of lemige steilwanden: rivieroevers, holle wegen, zandafgravingen en erosiegeulen, met daaromheen bloemrijk grasland, olijfgaarden of extensief akkerland vol grote insecten. Jaagt hoog boven het land op bijen, wespen en libellen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het Middellandse Zeegebied, Oost-Europa en Frankrijk, oostwaarts tot Turkije en de Levant en zuidwaarts tot in Noord-Afrika; Iberië is het bolwerk, waar de soort in vrijwel het hele schiereiland in kolonies broedt. In Noordwest- en Midden-Europa een schaarse maar toenemende broedvogel van zandwinningen en groeves, en langs de Noordzee een jaarlijkse doortrekker. Overwintert in West- en Zuidelijk Afrika en keert eind april terug.
- Broedvogel (zomer)
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in het Middellandse Zeegebied van mei tot augustus vroeg in de ochtend langs zandige steilkanten, ravijnranden en telefoondraden in riviervalleien; dan zitten de vogels laag te poetsen en te zonnen. Noordelijker, op de doortrek in mei en augustus, luister je vooral omhoog: het rollende geluid gaat vrijwel altijd aan de waarneming vooraf.
Staat van instandhouding
In Zuid-Europa talrijk en in het noorden duidelijk uitbreidend, waarschijnlijk door warmere zomers. Bedreigingen zijn het afvlakken of dichtgooien van steilwanden, insecticiden die grote insecten wegvagen en plaatselijke vervolging door imkers. Zandafgravingen met steile wanden zijn voor de noordelijke kolonies onmisbaar geworden.
Wetenschappelijke naam
Merops apiaster | Linnaeus, 1758
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Merops voerde hij in datzelfde werk in. Merops is Grieks en betekent 'bijeneter'. apiaster zegt in het Latijn hetzelfde, van apis 'bij'; de naam betekent dus tweemaal 'bijeneter'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijk Europa.



