Alle soortenScharrelaarachtigenBijeneters › Groene bijeneter

Groene bijeneter | Merops persicus

Blue-cheeked bee-eater | Abejaruco persa

Een bijeneter die overwegend groen is: grasgroen in plaats van kastanjebruin en goud, met langere staartpennen en een koperkleurige onderkant van de vleugel. Hij hoort bij warm, droog land waar water is — rivieroevers, irrigatiekanalen en rietkragen midden in de halfwoestijn.

Groene bijeneter (Merops persicus)
Foto: El Golli Mohamed — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een rollend prriep of dirrip, in series herhaald en van ver hoorbaar, maar droger, schriller en meer tweelettergrepig dan het vloeiende proe-proe van de bijeneter. Groepen roepen vrijwel onafgebroken tijdens het jagen; bij de kolonie klinkt daarnaast een hard geratel.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.

Herkenning

Slank, langvleugelig en langstaartig, met een lange, dunne, licht gebogen zwarte snavel. De hier gegeven lengte van 27 tot 31 cm is inclusief de sterk verlengde middelste staartpennen, die alleen al zes tot acht centimeter meten; zonder die pennen is de vogel nauwelijks groter dan een bijeneter. Het kleed is overwegend grasgroen, met een blauwgroene wangvlek onder een smalle zwarte oogstreep, een lichtgele kin en een roestbruine keel. In vlucht licht de onderkant van de vleugel warm koperkleurig op; jonge vogels zijn doffer en missen de lange staartpennen.

Verwarrings­soorten

De bijeneter is de enige echte verwarringssoort, en het onderscheid is bij redelijk zicht groot: die heeft een kastanjebruine kruin en rug met gouden schouders en turkooizen onderdelen, terwijl deze vogel van kop tot staart overwegend groen is. Let verder op de blauwgroene wangvlek onder de zwarte oogstreep, de langere staartpennen en de koperkleurige onderkant van de vleugel, die bij tegenlicht als een warme gloed door de vleugel heen valt.

Leefgebied

Warm, droog land in de directe nabijheid van open water: oevers van rivieren en meren, irrigatiekanalen, rietkragen en tamariskstruweel, met daarachter kale zandvlakten, halfwoestijn en bevloeid akkerland. Jaagt laag en soepel boven water en rietland, met een sterke voorkeur voor libellen; de nestgang wordt in vlak zand of in een lage steilkant gegraven.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Noord-Afrika en het Midden-Oosten: de Nijldelta en de Nijlvallei, Israël en de Levant, Zuidoost-Turkije, Irak en Iran, rond de Kaspische Zee en verder oostwaarts, met een aparte populatie langs de zuidrand van de Sahara in Marokko en Algerije. Overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara; op doortrek op Cyprus en in de Maghreb. Elders in het kaartgebied een zeldzame dwaalgast, half mei – eind september: enkele tientallen gevallen op de Britse Eilanden, een handvol in de Lage Landen, heel weinig in Iberië en op de Canarische Eilanden.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Wie hem zeker wil zien gaat naar het broedgebied: de Nijldelta, de Israëlische kustvlakte, Zuidoost-Turkije of de oases van Zuid-Marokko, waar hij van mei tot augustus boven irrigatiekanalen jaagt; op Cyprus komt hij op doortrek langs. Elders is het wachten op een melding, meestal tussen mei en september: controleer bij elke gemelde bijeneter de kleur van rug en schouders — groen, en niet de wang, die in fel licht moeilijk te beoordelen is — en kijk naar de onderkant van de vleugel zodra de vogel opvliegt.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern), met een groot areaal en plaatselijk hoge dichtheden. Waar moerassen worden drooggelegd, oevers worden vastgelegd en insecticiden de libellenstand uitdunnen, verdwijnen de kolonies snel, omdat de soort water en grote insecten nodig heeft binnen een paar kilometer van de nestgang. Rietkragen en onbewerkte zandvlakten langs irrigatiewerken zijn daarom belangrijker dan hun kale aanblik doet vermoeden.

Wetenschappelijke naam

Merops persicus | Pallas, 1773

Pallas beschreef de soort in 1773 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Merops werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Merops is Grieks en betekent 'bijeneter'. persicus is Latijn voor 'Perzisch', naar het oostelijke deel van het broedgebied. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de kust van de Kaspische Zee.