Alle soorten › Eendachtigen › Eenden, ganzen en zwanen › Grauwe gans
Grauwe gans | Anser anser
Greylag goose | Ánsar común
De grauwe gans is de wilde soort waaruit de tamme gans is gefokt en de grootste grijze gans van Europa. Van bijna verdwenen broedvogel groeide hij uit tot een alomtegenwoordige verschijning in Nederlandse moerassen en graslanden.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Luidruchtig en onmiskenbaar boers: een diep, gaggelend aahng-ahng-ahng, precies zoals een boerderijgans. Bij opvliegen een snel ratelend geschetter, dag en nacht hoorbaar boven winterse slaapplaatsen. Tussen partners klinken het hele jaar zachte, kirrende contactgeluiden, duidelijk lager van toon dan bij de kolgans.
Opname: Joost van Bruggen — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons
Herkenning
Forse, zwaargebouwde grijze gans met een dikke, egaal oranjeroze snavel bij de westelijke vorm en roze poten. De voorvleugel is opvallend lichtgrijs en valt in vlucht van boven en van onder op als een bleek paneel dat geen andere gans zo heeft. Oudere vogels hebben een wisselend aantal zwarte buikvlekken; juvenielen zijn egaler, doffer en ongevlekt.
Verwarringssoorten
Kolgans is kleiner en donkerder, met witte snavelbasis en zwarte buikbanden; rietgans en toendrarietgans hebben een donkere snavel met oranje band en oranje poten. Bij twijfel neem je de lichte voorvleugel en de zware, egale snavel samen, want alleen de grauwe gans combineert die twee.
Leefgebied
Broedt in rietmoerassen, kleiputten, natuurontwikkelingsgebieden en verruigde oeverlanden. Daarbuiten foerageert hij op grasland, wintergraan en oogstresten van suikerbieten en maïs, met slaapplaatsen op open water of ondiepe plassen op veilige afstand van de dijk.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Broedt van IJsland en Schotland tot Midden-Azië. Noordwest-Europa is zowel broedgebied — in de Lage Landen talrijk en inmiddels standvogel — als belangrijk overwinteringsgebied voor de broedvogels van Scandinavië en de Baltische landen. In het Middellandse Zeegebied vooral wintergast, in Iberië in grote aantallen in Doñana, de lagunes van Villafáfila en de marismas van de noordkust, terwijl de broedpopulatie er klein en plaatselijk blijft.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste momenten zijn oktober tot februari in het eerste licht, wanneer groepen van de slaapplaats naar de akkers, rijstvelden of graslanden vertrekken; je hoort ze lang voordat je ze ziet. Ga op een dijk of een uitkijkpunt staan met de wind in het gezicht en het licht in de rug. In april verraden families met donsgele pullen zich langs rietkragen.
Staat van instandhouding
Sterk toegenomen in Noordwest-Europa dankzij bescherming, vernatting en voedselrijk landbouwland, waardoor een zeldzame broedvogel een standvogel werd. De keerzijde is schade aan gewassen en aanhoudende discussie over beheer en afschot. In delen van Zuid-Europa is de soort als broedvogel juist schaars gebleven.
Wetenschappelijke naam
Anser anser | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Anas anser; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anser werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Anser is het Latijnse woord voor 'gans'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam: anser is Latijn voor 'gans'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.



