Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Heilige ibis
Heilige ibis | Threskiornis aethiopicus
African sacred ibis | Ibis sagrado
De heilige ibis is een forse witte vogel met een kale zwarte kop en hals en een lange, zware kromme snavel. In Afrika ten zuiden van de Sahara is hij algemeen; het Europese voorkomen gaat terug op ontsnapte vogels uit vogelparken, die in West-Frankrijk en Noord-Italië een vrijlevende bevolking vormden. Hij is er te vinden in de rijstvelden van Piemonte en op de Franse kwelders.
Geluid
Overwegend zwijgzaam. Bij de kolonie en op de slaapplaats klinkt een schor, blazend kwaar en een dof gekras; foeragerende vogels zijn vrijwel geluidloos, op wat vleugelgeruis na. Jongen in het nest maken een aanhoudend piepend geluid dat van een afstand als geruis over de kolonie hangt.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname beschikbaar.
Herkenning
Ongeveer zo groot als een lepelaar, wit, met een scherp afstekende, geheel onbevederde zwarte kop en hals en een lange, dikke, naar beneden gebogen zwarte snavel. Op de gevouwen vleugel liggen losse, haarfijne zwarte siervederen die als een donkere pluim over het staarteinde vallen. In vlucht valt een smalle zwarte rand langs de achterrand van de vleugel op en zijn de toppen van de handpennen zwart; hij vliegt met gestrekte hals en poten en wisselt snelle slagen af met glijden, vaak in linie. Jonge vogels hebben een bevederde, grijsbruin gevlekte hals, missen de siervederen en zijn daardoor minder contrastrijk.
Verwarringssoorten
Lepelaar is eveneens groot en wit, maar heeft een bevederde witte kop en een rechte snavel met een lepelvormig einde, en is in vlucht geheel wit. Grote zilverreiger is slanker, heeft een rechte, spitse snavel en vliegt met ingetrokken hals in plaats van gestrekt. Ooievaar is een stuk groter, heeft een rode snavel en rode poten en een breed zwart vleugelveld in plaats van alleen zwarte punten. Het beslissende kenmerk blijft de combinatie van de kale zwarte kop en de zware kromme snavel; die heeft geen enkele andere grote witte vogel in Europa.
Leefgebied
Ondiepe kust- en binnenlandmoerassen, natte weilanden, ondergelopen akkers en rijstvelden, en slikplaten in estuaria; in Frankrijk daarnaast vuilstortplaatsen en de omgeving van visvijvers en meeuwen- en sternkolonies. Hij foerageert lopend op korte, open vegetatie en in ondiep water en is daarbij weinig kieskeurig: rivierkreeften, insecten, wormen, afval, en in kolonies ook eieren en jonge vogels.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding en trek
Van nature broedt de soort in Afrika ten zuiden van de Sahara, met daarbuiten een kleine bevolking in de moerassen van Zuid-Irak; in Egypte, waar de vogel in de oudheid werd vereerd, verdween hij rond het midden van de negentiende eeuw. Het Europese voorkomen gaat terug op ontsnapte vogels uit vogelparken: vanaf de jaren zeventig vestigden zij zich aan de Franse Atlantische kust, met een piek van enkele duizenden vogels, en vanaf 1989 in de rijstvelden van Piemonte en Lombardije. In Frankrijk is het aantal door afschot teruggebracht tot enkele honderden; in Italië groeit de bevolking nog en breidt zij zich zuidwaarts uit. In Spanje ging een klein vrij levend kerntje bij Barcelona verloren nadat het werd opgeruimd; wat er nu nog verschijnt, in Spanje, Nederland en Groot-Brittannië, zijn losse vogels, meestal afkomstig uit Frankrijk.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De betrouwbaarste plek is Noord-Italië: rijd in maart of april tussen Vercelli en Novara langs de net geïnundeerde rijstvelden, dan staan er tientallen vogels tussen de kokmeeuwen. In Frankrijk biedt de winter in de Marais de Brouage of aan de Golfe du Morbihan de beste kans, bij voorkeur vroeg in de ochtend, wanneer de vogels van de slaapplaats naar de weilanden trekken. In Spanje moet je niet op de soort rekenen; een enkele vogel duikt op langs de Catalaanse kust.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (IUCN: Least Concern); de wereldpopulatie wordt op enkele honderdduizenden vogels geschat en de aantallen lopen langzaam terug. In Europa is de soort geen doel van bescherming maar van beheer: omdat vrijlevende heilige ibissen eieren en jongen roven uit kolonies van sterns, reigers en lepelaars, worden zij in Frankrijk sinds 2007 systematisch bestreden, en de soort staat op de Unielijst van invasieve uitheemse soorten. In Italië is het beheer beperkt gebleven en nemen de aantallen toe.
Wetenschappelijke naam
Threskiornis aethiopicus | (Latham, 1790)
Latham beschreef de soort in 1790 als Tantalus aethiopicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Threskiornis werd in 1842 ingevoerd door Gray. Threskiornis is Grieks, van thrēskos 'godsdienstig' en ornis 'vogel', naar de verering van de ibis in het oude Egypte. aethiopicus betekent 'Ethiopisch'; bij de klassieke schrijvers stond die naam voor Afrika bezuiden Egypte. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.




