Alle soortenSteltloperachtigenPlevieren › Kievit

Kievit | Vanellus vanellus

Northern lapwing | Avefría europea

De kievit begint vroeg in het voorjaar met zijn tuimelende baltsvlucht boven natte weilanden. Van dichtbij blijkt het zwart een groen-paarse metaalglans te hebben.

Kievit (Vanellus vanellus)
Hoofdfoto · Foto: Alexis Lours — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een nasaal, klaaglijk kie-wiet, waaraan de vogel zijn naam dankt. In de baltsvlucht wordt het een uitgerekt, zwiepend kie-uu wiet-wiet, ondersteund door het zoevende geluid van de vleugels. Vooral van maart tot mei; wintergroepen zijn grotendeels stil.

Luister: RoepXC247886

Opname: Horsto — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Middelgrote plevier met een dunne, opstaande kuif, breed afgeronde vleugels en een zwart-witte indruk die van dichtbij groen en paars oplicht. Oranjebruine onderstaartdekveren en korte roodachtige poten. De vlucht is fladderend en wiekend, met flikkerend zwart-wit. Mannetjes hebben een langere kuif en zwarte keel; in winterkleed is de keel wit.

Verwarrings­soorten

Op afstand lijken vliegende groepen op goudplevieren, waarmee ze vaak samen optrekken; goudplevier heeft spitse vleugels, snellere slagen en oogt gouden in plaats van zwart-wit. Zittend is verwarring mogelijk met de zeldzame steppekievit en sociabele kievit: die zijn zandbruin, zonder kuif en met een lichte wenkbrauwstreep.

Leefgebied

Open, kort en vochtig grasland, kale voorjaarsakkers, kwelders en drooggevallen slikken, altijd met een vrije horizon. In de winter op akkers, stoppels en overstroomde weilanden, en in het zuiden van het kaartgebied ook op natte dehesa's, rijstvelden en bevloeide akkers, vaak in gemengde groepen met goudplevieren en kokmeeuwen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel van Ierland tot diep in Rusland; het Nederlandse boerenland is een kerngebied, en ook in Spanje broedt de soort schaars en plaatselijk in het noorden en het binnenland. Bij vorst verplaatsen groepen zich massaal naar Frankrijk en Iberië, waar overstroomde dehesa's, rijstvelden en akkers in Extremadura, La Mancha en het Guadalquivirbekken de winteropvang vormen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Spanje, van december tot februari, in de vroege ochtend op de graanvlaktes en overstroomde dehesa's, wanneer de groepen opvliegen om te foerageren. Voor de baltsvlucht ga je naar het Nederlandse boerenland of het noorden van Spanje: maart, vroeg in de ochtend, langs een natte polderweg, wanneer tuimelende mannetjes zoevend laag over de grond scheren. In december kun je bij een strenge vorstinval grote trekgroepen naar het zuidwesten zien schuiven.

Staat van instandhouding

Wereldwijd Gevoelig (IUCN: Near Threatened) en in Nederland een van de sterkst afnemende weidevogels. Vervroegd maaien, ontwatering, omzetting van grasland naar mais en hoge predatiedruk kosten legsels en kuikens; kruidenrijke, natte percelen met uitgesteld maaibeheer bieden het meeste perspectief.

Wetenschappelijke naam

Vanellus vanellus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Tringa vanellus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Vanellus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Vanellus is Latijn voor 'kleine wan', een verkleinvorm van vannus 'wan'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.