Alle soortenEendachtigenEenden, ganzen en zwanen › Wintertaling

Wintertaling | Anas crecca

Eurasian teal | Cerceta común

De kleinste eend van Europa, nauwelijks groter dan een duif, en snel en wendbaar in de vlucht. Groepen schieten in een strakke bocht op van een slikrand en klinken daarbij als een handvol belletjes.

Wintertaling (Anas crecca)
Hoofdfoto · Foto: Jacek Halicki — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Het mannetje geeft een helder, kort en klokkend fluitje, krik of prrit, dat in groepen als een rinkelende bel klinkt en tot ver draagt. Het vrouwtje kwaakt hoog, dun en nasaal. Het meest te horen van oktober tot maart, vaak van onzichtbare vogels in het riet.

Luister: Roep (man en vrouw)Wikimedia Commons

Opname: British Library — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Zeer kleine, kortnekkige eend met een smalle donkere snavel. Het mannetje heeft een kastanjebruine kop met een groene, geel omzoomde oogvlek, fijn grijs gevermiculeerde flanken met een witte horizontale streep boven de vleugel en een geel driehoekje onder de zwarte staart. Het vrouwtje is bruingespikkeld met een lichte streep aan de snavelbasis; beide geslachten tonen een groene spiegel met witte voorrand. AviList 2025 rekent de Amerikaanse vorm, in andere lijsten gevoerd als aparte soort Anas carolinensis, tot deze soort; dat verschil zit in de indeling die een lijst hanteert, niet in de vogels. Mannetjes van die vorm dragen een smalle verticale witte streep die vlak vóór de gevouwen vleugel van de borstzijde omlaag loopt, en missen de horizontale streep die langs de schouder over de flank ligt. De lichte omlijning van de kopstreping is bij hen flauw of afwezig, waardoor de kop egaler oogt. Vrouwtjes en jonge vogels zijn in het veld niet te scheiden.

Verwarrings­soorten

Zomertaling heeft een lichte, langere snavel, een lichte vlek aan de snavelbasis van het vrouwtje die scherper begrensd is, en een blauwgrijze vleugelvoorrand. Formaat en snelle vlucht sluiten grotere eenden uit. Binnen de soort is het zoeken naar de Amerikaanse vorm een kwestie van groepjes wintertalingen vogel voor vogel afwerken. Scan zittende mannetjes van opzij, want alleen dan ligt de flank open; een vogel schuin van voren toont de verticale streep wel, maar verbergt of de horizontale streep er is. Twee vragen tellen: staat er een verticale streep op de borstzijde, en ontbreekt de streep langs de schouder? Alleen ja op beide levert een goede kandidaat op. De valkuil zijn hybriden, die beide strepen half aanleggen, allebei zwakker dan normaal, en die meestal ook nog een deel van de lichte kopomlijsting houden. Een vogel die maar op één punt afwijkt laat je lopen.

Leefgebied

Ondiepe, modderige wateren met dekking: veenplassen, kwelders, kreken, sloten met rietkraag, natte graslanden en verlandende plassen. Broedt verborgen in moeras, hoogveen en duinvalleien. Foerageert zeefend langs de waterrand op zaden en kleine ongewervelden, vaak dicht tegen de vegetatie aan.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedt van IJsland en Scandinavië tot Midden-Europa, in Nederland schaars en verspreid. Nederlandse wetlands, met name de Delta en het waddengebied, herbergen in de winter grote aantallen uit Noord-Europa en Rusland. In Spanje is de soort een talrijke overwinteraar in Doñana, de Ebrodelta en de binnenlandse lagunes. De Amerikaanse vorm broedt in Noord-Amerika van Alaska tot Newfoundland en overwintert zuidwaarts tot Midden-Amerika; in West-Europa duikt hij jaarlijks in kleine aantallen op. In Nederland waren er tot en met 2014 vierenzeventig aanvaarde gevallen en wordt hij sinds 2015 niet meer beoordeeld, met een piek in maart en april en een tweede in oktober en november. In Groot-Brittannië liep het aantal op van ruim een tiental per jaar vóór 1958 tot meer dan veertig rond 2000, en wordt de vorm sinds 1990 niet meer als zeldzaamheid beoordeeld; individuele mannetjes keren jaar na jaar naar dezelfde plas terug. In Spanje wordt hij nog wel beoordeeld, met gevallen aan de Cantabrische kust, in Galicië, de Ebrodelta en de marismas van de Guadalquivir, vrijwel altijd losse mannetjes tussen groepen wintertalingen. Vrijwel alle gemelde vogels zijn mannetjes, wat vooral zegt dat vrouwtjes niet te herkennen zijn.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in oktober en november langs slikkige plasranden, kort na zonsopgang wanneer de vogels uit de rietrand komen. Blijf laag en stil: verstoorde groepen vliegen razendsnel op. Controleer elke man op een verticale streep vlak vóór de vleugel, want de Amerikaanse vorm duikt bijna jaarlijks op; foto's van beide flanken schelen discussie.

Staat van instandhouding

Talrijk en over de hele Palearctis wijdverspreid, dus wereldwijd niet bedreigd. In Nederland is de broedpopulatie klein en gevoelig voor verdroging en het verdwijnen van kleinschalig, nat moeras. Als wintergast profiteert de soort van natuurontwikkeling in uiterwaarden en van gestopte jachtdruk in delen van Europa.

Wetenschappelijke naam

Anas crecca | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Anas voerde hij in datzelfde werk in. Anas is het Latijnse woord voor 'eend'. crecca gaat terug op kricka, de Zweedse naam van de vogel, een klanknabootsing van de roep van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.