Alle soortenKraanvogelachtigenRallen › Meerkoet

Meerkoet | Fulica atra

Eurasian coot | Focha común

De meerkoet is een algemene, felle, luidruchtige ral met gelobde zwemtenen, die verder alleen futen hebben. In het vroege voorjaar vechten de vogels om hun territorium.

Meerkoet (Fulica atra)
Hoofdfoto · Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een breed repertoire van harde, korte roepen: een explosief kowk, een scherp pits en metaalachtige klikjes. Het geluid draagt ver over water en is het hele jaar te horen, maar het meest in het voorjaar tijdens burenruzies, ook 's nachts.

Luister: Alarmroep bij het nestWikimedia Commons

Opname: Beeld en Geluid — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Egaal roetzwarte watervogel met een opvallend wit snavel- en voorhoofdsschild en een rode iris. In vlucht, zelden en pas na een lange aanloop over het water, valt een smalle witte achterrand aan de armpennen op en hangen de grote, groengrijze gelobde poten achter de staart. Juvenielen zijn vaalgrijs met witte keel en zonder schild.

Verwarrings­soorten

Waterhoen is kleiner en bruiner, met een rood-gele snavel, een witte flankstreep en witte zijkanten aan de onderstaartdekveren. Een enkele meerkoet op zee wordt weleens voor een zwarte zee-eend aangezien; kop- en snavelvorm sluiten dat uit. Op het Iberisch Schiereiland is de knobbelmeerkoet de echte valkuil, met twee rode knobbels boven het schild.

Leefgebied

Vrijwel elk zoet water met wat oevervegetatie: sloten, plassen, kanalen, stadsvijvers, rivieren en grote meren. In de winter ook op ondiep brak water en soms grazend in groepen op aangrenzend gras en sportvelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding en trek

Broedvogel in heel Europa; in Nederland langs vrijwel elk water, tot in het hart van de steden, en ook in Spanje een algemene broedvogel van lagunes, rijstvelden en stuwmeren. Noordelijke en oostelijke populaties trekken voor de vorst weg en verzamelen zich op ijsvrij water in West-Europa en Iberië; de grootste winterconcentraties liggen aan de Middellandse Zeekust, in de lagunes van La Mancha en langs de Guadalquivir.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kijk in maart vroeg in de ochtend bij een stadsvijver of plas met veel paren: dan spelen de gevechten waarbij twee vogels achterover in het water leunen en met de poten naar elkaar slaan. Voor kuikens met knalrode koppen is mei de beste maand.

Staat van instandhouding

Algemeen en niet bedreigd, al zijn er lokale schommelingen door strenge winters, botulisme en het opschonen van oevervegetatie. De soort profiteert van voedselrijk en stedelijk water; in Zuid-Europa vormt het verdwijnen van laguneterrein het belangrijkste aandachtspunt.

Wetenschappelijke naam

Fulica atra | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Fulica voerde hij in datzelfde werk in. Fulica is het Latijnse woord voor 'meerkoet'. atra is Latijn voor 'zwart', naar het donkere verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.