Alle soortenDuifachtigenDuiven › Incaduif

Incaduif | Columbina inca

Inca Dove | Tortolita Cola Larga

De incaduif is een van de kleinste duiven van Noord-Amerika, nauwelijks groter dan een spreeuw, met een lange rechte staart en een verenkleed waarin elke veer een donkere zoom draagt. Hij hoort bij het droge zuidwesten maar leeft daar vooral van wat mensen achterlaten: besproeide gazons, gemorst zaad en de schaduw van aangeplante bomen. Op koude nachten kruipen tot een dozijn vogels tegen elkaar op één tak, in twee of drie lagen boven elkaar.

Incaduif (Columbina inca)
Foto: VJAnderson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een tweelettergrepig, hol koeren dat minutenlang zonder verandering van tempo wordt herhaald: koe-KOEP, in Engelse veldgidsen weergegeven als no-hope. Hij roept vanaf een draad, een dakrand of een kale tak, het hele jaar door en ook midden op een hete dag, wanneer de meeste andere vogels zwijgen. Beide seksen roepen, maar het mannetje doet het veruit het meest, vooral in de vroege ochtend en de late namiddag. Bij het opvliegen ratelen de vleugels droog en kort, een geluid dat de vogel vaak eerder verraadt dan zijn koeren.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine, slanke duif met een naar verhouding zeer lange, rechte staart die aan weerszijden wit is afgezet. Het hele verenkleed is zandkleurig grijsbruin en elke veer draagt een donkere zoom, waardoor kop, rug, borst en flanken van boven tot onder geschubd lijken. In de vlucht klapt een roodbruin veld in de hand open, aan de achterrand scherp zwart begrensd. Man en vrouw zijn vrijwel gelijk; het mannetje toont op kruin en borst een iets warmere rozige waas. Jonge vogels zijn valer en hebben een vager schubpatroon.

Verwarrings­soorten

De musduif is duidelijk kleiner en heeft een korte, stompe staart zonder wit; bij hem beperkt de schubbing zich tot kop, hals en borst, en de rug is effen. De steenduif is even klein maar heeft een effen borst, een donkere snavel en bij het mannetje een warm kaneelrode rug. De treurduif is bijna twee keer zo groot, met een spits toelopende staart, zwarte stippen op de vleugel en een effen zandbruine rug. Op afstand vormen de lange staart met witte randen en het schubpatroon over het hele lijf samen de zekerste combinatie.

Leefgebied

Hij zoekt kale of kort begroeide grond om op te lopen met struiken en lage bomen ernaast, en die combinatie vindt hij vooral bij mensen: tuinen, parken, schoolpleinen, boerenerven, akkerranden en dorpsstraten. Water bepaalt in het droge zuidwesten waar hij zit; waar wordt besproeid is hij aanwezig, waar dat ophoudt houdt hij op. Buiten de bebouwing komt hij voor in doornstruweel met mesquite en langs droge beeklopen met verspreide bomen. Gesloten bos en hoog dicht gras mijdt hij geheel.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het zuidwesten van de Verenigde Staten door vrijwel heel Mexico tot in Guatemala, El Salvador, Honduras en Nicaragua, en verder tot in het noordwesten van Costa Rica. Hij ontbreekt op het schiereiland Yucatán en in de vochtige laaglanden langs de Golf van Mexico. Ten noorden van Mexico was hij in de negentiende eeuw nog schaars; met steden, tuinen en irrigatie schoof hij noordwaarts op tot in Nevada, Oklahoma, Arkansas en Louisiana, en sinds enkele jaren wordt hij tot in Colorado gezien. Hij trekt niet, maar jonge vogels zwerven in de nazomer en herfst ver buiten het broedgebied.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem lopend op een kort gemaaid gazon of onder een voertafel, tussen mussen en musduiven door: hij loopt met kleine stapjes en een knikkende kop en laat mensen tot op enkele meters naderen. Luister in een woonwijk van Tucson, Phoenix of San Antonio naar het monotone tweelettergrepige koeren, dat er het hele jaar door en op elk uur van de dag te horen is. Let bij het opvliegen op het roodbruine vleugelveld en de witte staartzijden.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie wordt op ongeveer drie miljoen vogels geschat, waarvan ruim de helft in Mexico en ongeveer een derde in de Verenigde Staten. De Breeding Bird Survey liet tussen 1966 en 2015 een toename van ruim anderhalf procent per jaar zien. Hij profiteert van bewoning en beregening en staat als soort niet onder druk; in het droge deel van zijn areaal hangt zijn aanwezigheid wel af van open water, dat er in de meeste gevallen door mensen wordt gebracht.

Wetenschappelijke naam

Columbina inca | (Lesson, 1847)

Lesson beschreef de soort in 1847 als Chamaepelia inca; omdat ze later in het geslacht Columbina is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Columbina is een Latijns verkleinwoord van columba, 'duif', en betekent dus zoveel als 'duifje'. De soortnaam inca verwijst naar het rijk van de Inca's, terwijl de vogel in geen van de gebieden voorkomt die daartoe hebben behoord. Lesson gaf als typelocatie eenvoudig Mexico op; de beschrijving verscheen op bladzijde 211 van zijn Description de mammifères et d'oiseaux récemment découverts.