Alle soorten › Zangvogels › Tangaren › Roodkuifkardinaal
Roodkuifkardinaal | Paroaria coronata
Red-crested Cardinal | Cardenal copetirrojo
Een grijs-witte vogel met een vuurrode kop en een spitse, opstaande kuif, thuis in Zuid-Amerika en op Hawaï uitgezet, waar hij nu tot de gewoonste tuinvogels hoort. Hij stapt over grasvelden en door strandparken en laat zich van dichtbij bekijken. Wie op de eilanden een rode kuif over het gazon ziet lopen, ziet deze vogel en geen kardinaal van het vasteland.
Geluid
Een heldere, trage fluitzang van korte motieven met een stilte ertussen, warm van toon maar met weinig afwisseling: tsjieuw-tsjieuw ... tsju-wiet. Beide vogels van een paar zingen en houden zo contact terwijl ze uit elkaar over het gras foerageren. De roep is een kort, hard tsjip, en bij onraad een gerekt, nasaal tsjieh. Hij zingt het hele jaar door en het meest in de vroege ochtend.
Opname: Pedro Sanetti — CC0 · Cipolletti, General Roca Department, Río Negro Province, Argentina · xeno-canto
Herkenning
Kop, keel en kuif zijn helderrood, scherp begrensd tegen een witte onderzijde en een leigrijze rug, vleugels en staart. De snavel is kegelvormig en tweekleurig: donker op de bovensnavel, licht aan de basis van de ondersnavel; de poten zijn grijs. Man en vrouw zien er gelijk uit. Jonge vogels zijn heel anders getekend, met een okerbruine kop en kuif in plaats van rood, en pas na enkele maanden komt het rood door — wat op Hawaï elk najaar tot vragen leidt. De kuif gaat bij opwinding rechtop staan en ligt bij rust plat, zodat de kopvorm sterk kan wisselen.
Verwarringssoorten
De geelsnavelkardinaal (Paroaria capitata), eveneens op Hawaï uitgezet, is de enige echte verwarringssoort: hij mist de kuif, heeft een geheel gele snavel en gele poten, en bij hem loopt het rood verder de keel in. De rode kardinaal (Cardinalis cardinalis), die op de eilanden ook is losgelaten, is bij het mannetje geheel rood en bij het vrouwtje olijfbruin, en draagt altijd een dikke oranje snavel en een zwart masker. In beide gevallen beslissen de snavelkleur en de grens tussen rood en wit.
Leefgebied
Op Hawaï halfopen laagland met gras en verspreide bomen: tuinen, parken, strandparken, golfbanen, hotelterreinen, wegbermen en akkerranden. Hij komt vrijwel niet boven de vierhonderd meter en gaat het inheemse bergbos niet in, zodat hij de inheemse bosvogels van de eilanden in hun eigen leefgebied niet tegenkomt. In zijn oorspronkelijke gebied zit hij in doornstruweel, savanne en open bosrand, vaak in de buurt van water. Overal zoekt hij zijn voedsel op de grond, tussen kort gras en op kale plekken.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Zijn eigen gebied ligt in Zuid-Amerika: Bolivia, Paraguay, Uruguay, Noord-Argentinië en het uiterste zuidoosten van Brazilië — buiten deze kaart. Op de kaart staat alleen Hawaï, waar tussen 1928 en 1931 op Oahu en Kauai vogels zijn losgelaten uit voorraden die via San Francisco waren aangevoerd. Van daaruit heeft hij zich over alle grote eilanden verspreid: op Oahu nam hij van de jaren veertig tot de jaren negentig gestaag toe en daarna stabiliseerde hij, op Kauai groeide hij vooral tussen 1972 en 1992 sterk, en op Molokai ging het na 1963 snel. Op het eiland Hawaii zit hij vooral aan de oostkant; aan de westkant leeft ook de geelsnavelkardinaal.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Elk grasveld met bomen erlangs op Oahu, Kauai of Maui levert hem op: een strandpark, een hotelgazon, een parkeerterrein met bomen eromheen. Hij is niet schuw en loopt vaak op enkele meters afstand door, zodat je op je gemak op de kuif en de tweekleurige snavel kunt letten om jonge vogels goed op naam te brengen. Kijk vooral vroeg in de ochtend, wanneer hij zingt en het rood in laag licht het diepst is.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC). In Zuid-Amerika is de soort wijdverbreid, al is er in het verleden veel voor de kooivogelhandel gevangen. Op Hawaï is de bevolking gevestigd en stabiel tot toenemend, en de vogel wordt daar niet beheerd of bestreden. Hij houdt zich aan bewoond laagland en aan uitheemse begroeiing; in het inheemse bergbos, waar de bedreigde vogels van de eilanden zitten, komt hij niet voor.
Wetenschappelijke naam
Paroaria coronata | (Miller, 1776)
John Frederick Miller beeldde de vogel in 1776 af in zijn plaatwerk Icones Animalium en noemde hem Loxia coronata, bij de kruisbekken; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Paroaria werd in 1832 ingevoerd door Bonaparte en gaat terug op tiéguacú paroára, in het Tupi de naam van een klein geel, rood en grijs vogeltje. coronata is Latijn voor 'gekroond', naar de kuif. Miller gaf geen vindplaats op; Pinto legde de typelocatie in 1944 vast op Rio Grande do Sul in Zuid-Brazilië.




