Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Witkruingors
Witkruingors | Zonotrichia leucophrys
White-crowned Sparrow | Chingolo coroniblanco
De witkruingors is de zwartwit gestreepte gors van open struweel, van de arctische toendra tot de alpiene weiden van de Rocky Mountains en de kustduinen van Californië. Hij is een van de best onderzochte zangvogels ter wereld: het zangdialect, de hormoonhuishouding en de trek van deze soort staan aan de basis van een groot deel van wat over vogelzang en vogeltrek bekend is.
Geluid
De zang begint met een of twee heldere, aangehouden fluittonen en gaat over in een reeks schorre of buzzende noten en een korte triller. De vorm verschilt per streek: de kustvorm zingt vlotter en duidelijker geleed, de vormen van de taiga langgerekter en schorrer. Zangdialecten kunnen over enkele kilometers wisselen en worden door jonge mannetjes in hun eerste levensmaanden geleerd. De roep is een scherp, metaalachtig pink, de vluchtroep een dun tsiep. In het voorjaar en op trekpleisters zingt hij ook 's nachts.
Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · "the Fen", near Churchill Northern Studies Centre, Manitoba, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een slanke, langgestaarte gors met een rechtopstaande houding en een klein kuifje bij opwinding. De kop draagt een zwart-wit gestreepte kap: een witte middenstreep, brede zwarte zijbanden en een witte wenkbrauwstreep. Gezicht, keel en borst zijn effen grijs; de rug is grijsbruin met roodbruine strepen, de vleugel heeft twee witte strepen. De snavel is roze, oranjegeel of geelachtig, afhankelijk van de vorm. Jonge vogels in hun eerste winter hebben dezelfde kopindeling, maar in roestbruin en vaalbruin in plaats van zwart en wit.
Verwarringssoorten
De goudkruingors heeft in plaats van de witte middenstreep een gele of goudkleurige baan, een donkere bovensnavel en vuiler grijze onderdelen; jonge vogels van beide soorten lijken sterk op elkaar en zijn het best op snavelkleur en de mate van kopcontrast te scheiden. De witkeelgors heeft een scherp begrensde witte keelvlek, een gele vlek vóór het oog en een donkere snavel. Binnen de soort is de onderscheiding van vormen mogelijk: de kustvorm en de vorm van de westelijke taiga hebben bleekgrijze teugels, de oostelijke taigavorm en de bergvorm een zwarte of donkerbruine teugel tot aan de snavel.
Leefgebied
Broedt in open terrein met verspreide lage struiken: dwergberk- en wilgentoendra, alpiene weide bij de boomgrens, kapvlakten, brandvlakten en kustduinen met struikgewas. Het nest staat op de grond of laag in een struik. In de winter zit hij in verruigde akkers, bermen, houtwallen, chaparral en tuinen, vaak in groepen onder voedertafels en in beschutting van dicht struikgewas.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied beslaat vrijwel de hele Noord-Amerikaanse toendrazone, van West-Alaska via de Yukon, de Northwest Territories en Nunavut tot Labrador en Noord-Quebec, en daarnaast de hooggebergten van het westen: de Rocky Mountains van Montana tot Colorado en Utah en de Sierra Nevada. Langs de kust van Zuid-Brits-Columbia tot Midden-Californië is hij standvogel of korteafstandstrekker. De winter wordt doorgebracht in het zuiden van de Verenigde Staten en op de Mexicaanse hoogvlakte, ruwweg van Neder-Californië en Sonora tot Tamaulipas en zuidwaarts tot Jalisco en Hidalgo. Trekvogels uit het noorden leggen tot 4000 kilometer af. In West-Europa is hij een zeer zeldzame dwaalgast.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In oktober en april zit hij langs vrijwel elke verruigde slootkant en bosrand in het westen; tik op het struikgewas en de vogels komen een voor een boven zitten. Let bij elke vogel op de teugel: zwart tot de snavel of bleekgrijs onderbroken — dat kenmerk, samen met de snavelkleur, wijst de vorm aan en daarmee de herkomst van de groep.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 79 miljoen vogels en de trend was tussen 1966 en 2019 stabiel; de soort scoort 7 van 20 op de continentale zorgscore. Lokaal zijn er wel dalingen, vooral bij de kustvorm in het bebouwde deel van Californië, waar struweel verdwijnt. Onderzoek aan stadsvogels liet zien dat mannetjes hun zang aanpassen aan verkeerslawaai, en dat de zang tijdens de stilgevallen lockdown van 2020 zachter en breder van bereik werd.
Wetenschappelijke naam
Zonotrichia leucophrys | (Forster, 1772)
Johann Reinhold Forster beschreef de soort in 1772 als Emberiza leucophrys, naar exemplaren van de Severn River aan de westkust van Hudson Bay; de verplaatsing naar Zonotrichia zet auteur en jaartal tussen haakjes. Zonotrichia is Grieks, van zōnē 'band' en thrix 'haar'. Leucophrys komt van leukos 'wit' en ophrus 'wenkbrauw', naar de witte wenkbrauwstreep. De Nederlandse en Engelse naam noemen niet de wenkbrauw maar de witte middenstreep over de kruin.






