Alle soortenGierzwaluwachtigenKolibries › Zwartkinkolibrie

Zwartkinkolibrie | Archilochus alexandri

Black-chinned Hummingbird | Colibrí gorjinegro

De zwartkinkolibrie is de gewoonste kolibrie van het Amerikaanse Westen en tegelijk de minst kieskeurige: hij broedt van woestijnwassen tot bergbossen en van rivierbossen tot de tuinen van Phoenix. Zijn keel is zwart en lijkt kleurloos, tot een smalle violette band onderaan even oplicht.

Zwartkinkolibrie (Archilochus alexandri)
Hoofdfoto · Foto: lwolfartist — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De zang is een zacht, ijl gekwetter, zo hoog dat hij op fluiten door de tanden lijkt en al op enkele meters wegvalt. Daarnaast heeft hij minstens vijf verschillende hoge tsjip- en tik-geluidjes, die hij naar de situatie aaneenrijgt; bij een voederbuis is dat getik het eerste teken dat er een zit. In gewone vlucht zoemen de vleugels laag. Bij de baltsduik, twintig tot dertig meter in een strakke boog omlaag, klinken ze hoger en scherper, met een bijna belachtige bijtoon die je nooit van een zittende vogel hoort.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Het mannetje is dof metaalgroen van boven en grijswit van onderen, met groene flanken en een fluweelzwarte keel. Onderaan die keel ligt een dunne violette band; die kleur zit in de bouw van de veer en niet in een pigment, zodat hij alleen bij het juiste licht oplicht en de keel verder geheel zwart lijkt. De snavel is recht en zwart, de staart licht gevorkt. Het vrouwtje heeft een bleke, ongetekende keel en brede witte punten aan de buitenste staartpennen. Een goed vluchtkenmerk: tijdens het bidden voor een bloem pompt hij onafgebroken met de staart.

Verwarrings­soorten

De robijnkeelkolibrie is zijn evenbeeld; de arealen raken elkaar in Centraal-Texas, en vrouwtjes zijn daar vaak niet met zekerheid te scheiden. De mannetjes wel: zwarte keel met violette rand tegenover een volledig robijnrode keel. Het vrouwtje van Anna's kolibrie is groter en grauwer en heeft meestal wat rode spikkels midden op de keel. Het vrouwtje van Costa's kolibrie heeft een kortere snavel en een veel kortere staart, en de luciferkolibrie herken je aan de gebogen snavel.

Leefgebied

Halfopen, half droog land met hoge bomen en bloeiende struiken: canyons met sycamore en eik, rivierbossen van populier en wilg, doornstruweel langs woestijnwassen en bergbos tot ruim tweeduizend meter. Water is vrijwel altijd in de buurt; open woestijn zonder bomen mijdt hij. Hij verdraagt de mens goed en broedt tot in het hart van steden, zolang er hoge kale takjes zijn om vanaf uit te kijken. Overwinteraars aan de Golfkust zitten vaak in de schaduw van eiken.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van het droge Westen, van het zuiden van Brits-Columbia door de binnenlanden tot Californië, Texas en Noord-Mexico. Vrijwel de hele populatie trekt in het najaar naar West- en Zuid-Mexico; een klein maar vast aantal overwintert aan de Golfkust van Texas en Louisiana, waar die vogels sinds de jaren tachtig stelselmatig geringd worden. De trek is vroeg: in augustus zijn de meeste broedgebieden al leeg. In steden met voederbuizen en aangeplante bloemen namen de aantallen de laatste decennia toe.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Kijk niet naar de keel maar naar de staart: het onafgebroken pompen tijdens het bidden verraadt deze soort ook als de kleuren niet meewerken. Zoek verder de hoge kale takjes boven een tuin of rivierbos af — na elke foerageerronde zit hij minutenlang op dezelfde uitkijkpost. Wil je de violette keelband zien, ga dan zo staan dat de zon over je schouder op de vogel valt.

Staat van instandhouding

Talrijk en licht toenemend: de broedvogeltellingen laten tussen 1966 en 2019 een stijging van ongeveer 0,3 procent per jaar zien en Partners in Flight schat de broedpopulatie op 8,8 miljoen vogels. De soort geldt als niet bedreigd. Tuinen met voederbuizen dragen aan de toename bij, maar het merendeel van de broedvogels zit in de oeverbossen van het droge Westen, en het behoud daarvan blijft de basis van zijn verspreiding.

Wetenschappelijke naam

Archilochus alexandri | (Bourcier; Mulsant, 1846)

Bourcier en Mulsant beschreven de soort in 1846 als Trochilus Alexandri; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteurs en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Archilochus werd in 1854 ingevoerd door Ludwig Reichenbach en verwijst naar Archilochus, een Griekse dichter van het eiland Paros uit de zevende eeuw voor Christus. De soortnaam alexandri eert dokter Alexandre, een arts die in Mexico werkte en vogelhuiden naar Parijs stuurde. Het beschreven exemplaar kwam uit de Sierra Madre in Mexico.