Alle soorten › Steltloperachtigen › Plevieren › Amerikaanse Goudplevier
Amerikaanse Goudplevier | Pluvialis dominica
American Golden-Plover | Chorlito dorado americano
De Amerikaanse goudplevier legt elk jaar een lus rond het halve halfrond: in het voorjaar over de Great Plains omhoog naar de toendra, in de nazomer vanuit oostelijk Canada in één trek over de Atlantische Oceaan naar Zuid-Amerika. Op geploegd voorjaarsland staan de troepen bij honderden bijeen, zwart van buik en met een witte streep langs de hals.
Geluid
De vluchtroep is een kort, wat schril kwie-dul of kloe-wie van twee lettergrepen, harder en abrupter dan de roep van de andere goudplevieren en zonder de klaaglijke toon van de zilverplevier. Boven de prairie in april verraadt dat geluid een troep op grote hoogte lang voordat er iets te zien is. Op de broedtoendra zingt het mannetje in een trage baltsvlucht met stijve vleugelslag een aanhoudend, jengelend kie-dlie kie-dlie, tientallen keren achtereen. Bij het nest klinkt een zacht, herhaald toe-toe, waarmee de kuikens tegen de grond worden gedrukt.
Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · Landing Lake, Churchill, MB, Canada · xeno-canto
Herkenning
In zomerkleed is de hele onderzijde gitzwart, van kin tot onder de staart, zonder wit op de flank; een brede witte band loopt van het voorhoofd boven het oog naar de zijhals en eindigt in een witte vlek op de schouder. De bovenzijde is zwartbruin met een fijne spikkeling die eerder zilverwit dan goudgeel oogt. Het vrouwtje heeft doffer zwart met witte veren erdoorheen, en jonge vogels zijn grijsbruin met een grijs gestreepte borst en een opvallend bleke wenkbrauwstreep. In winterkleed is hij koel grauwgrijs, met een donkere kruin die door de lichte wenkbrauw als een pet oogt. De vleugels zijn lang: opgevouwen steken de punten duidelijk voorbij het staarteind uit, verder dan bij enige andere plevier van het gebied, en in de vlucht is de ondervleugel rookgrijs, zonder witte streep en zonder witte stuit.
Verwarringssoorten
De Aziatische goudplevier is de moeilijkste: in zomerkleed heeft die witte vlekken op flank en onderstaart, waar de Amerikaanse goudplevier tot onder de staart zwart blijft, en in alle kleden zijn zijn vleugelpunten korter en zijn poten langer, zodat hij hoger op de poten en korter van achteren oogt; in de vlucht steken bij de Aziatische goudplevier de tenen voorbij het staarteind uit, bij deze soort niet. De goudplevier van Europa (Pluvialis apricaria) heeft witte oksels en witte flanken en is korter van poot en dikker van hals; de Amerikaanse en de Aziatische goudplevier hebben allebei grijswitte oksels. De zilverplevier (P. squatarola) is groter en zwaarder van snavel, mist elk goud en toont in de vlucht zwarte oksels, een witte stuit en een witte vleugelstreep. In winterkleed is de Amerikaanse goudplevier de grauwste van de vier, met de duidelijkste pet en de bleekste wenkbrauw.
Leefgebied
Broedt op droge, hooggelegen toendra met korstmos en dwergstruiken, op ruggen en hellingen boven de natte laagten waar de Aziatische goudplevier zit. Op doortrek is hij een vogel van kort gras en kale grond: kortgegraasde prairie, geploegde akkers, stoppelvelden, ondergelopen weiden en pas afgebrande grasvlakten. Slikplaten en stranden gebruikt hij veel minder dan de zilverplevier, en dan meestal alleen als er in de omtrek geen droog land met korte begroeiing is. In het overwinteringsgebied staat hij op de graslanden en de kortgegraasde vlakten van Zuid-Amerika.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van de toendra van Noord- en West-Alaska en de Canadese Arctis, oostwaarts tot Baffineiland en zuidwaarts tot de kust van de Hudsonbaai bij Churchill. Hij overwintert op de graslanden van Argentinië, Uruguay en Paraguay en langs de kust van Zuidoost-Brazilië, buiten dit kaartvenster. Heenweg en terugweg lopen niet gelijk: in het voorjaar trekt het overgrote deel over de Great Plains omhoog, in de nazomer verzamelen de vogels zich in oostelijk Canada en steken van daaruit de Atlantische Oceaan over naar het noorden van Zuid-Amerika, zodat hij aan de oostkust vooral na noordoostenstorm in aantal opduikt. In de negentiende eeuw is de soort door de najaarsjacht op de trekpleisters bijna verdwenen; na het jachtverbod van 1918 herstelde ze zich langzaam, maar de aantallen van vóór die tijd zijn nooit teruggekeerd.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in april en mei op de pas geploegde en ingezaaide akkers van de Great Plains, van Texas tot Manitoba, waar troepen van honderden op zwarte grond staan; op afstand herken je ze aan de zwarte buik en de witte streep langs de hals. Rijd de landwegen langzaam af en scan land dat nog nat is van de smeltsneeuw, want daar zitten de wormen. In de nazomer is de Atlantische kust de plek, maar alleen na een paar dagen aanhoudende noordoostenwind.
Staat van instandhouding
De wereldpopulatie wordt op ongeveer een half miljoen vogels geschat en geldt als niet bedreigd, maar de aantallen liggen ver onder die van vóór de jachtperiode van de negentiende eeuw en de trend is licht dalend. De knelpunten liggen op de trekpleisters: het verdwijnen van kortgegraasd grasland op de Great Plains en de omzetting van de Zuid-Amerikaanse graslanden in akkerbouw, met de bestrijdingsmiddelen die daarbij horen. Op de broedgronden is er ruimte genoeg, al verandert de toendra van samenstelling.
Wetenschappelijke naam
Pluvialis dominica | (Müller, 1776)
Müller beschreef de soort in 1776 als Charadrius dominicus, bij de plevieren; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pluvialis werd in 1760 ingevoerd door Brisson en is Latijn voor 'van de regen', van pluvia. De soortnaam verwijst naar Santo Domingo op Hispaniola, waar het beschreven exemplaar vandaan kwam — een eiland dat de soort tegenwoordig alleen nog op doortrek aandoet. De beschrijving verscheen in het supplementdeel bij de Duitse bewerking van het Natursystem van Linnaeus.




