Alle soortenZangvogelsVliegenvangers › Blauwstaart

Blauwstaart | Tarsiger cyanurus

Red-flanked Bluetail | Ruiseñor coliazul

De blauwstaart is een kleine zanger van het Euraziatische naaldbos, herkenbaar aan de blauwe staart en de oranje flanken die beide geslachten delen. In het gidsgebied is hij een dwaalgast op de eilanden van West-Alaska, met de laatste jaren ook enkele gevallen langs de westkust en zelfs in het oosten. Hij zit laag, beweegt met korte sprongen over de bosbodem en trilt daarbij vaak met de staart.

Blauwstaart (Tarsiger cyanurus)
Foto: Alpsdake — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In Noord-Amerika is hij meestal zwijgzaam; de roep die nog het vaakst klinkt is een droog, hard tak, als van een roodborsttapuit, soms voorafgegaan door een dun, gerekt hiet. Op de broedplaatsen zingt het mannetje vanaf een hoge sparrentop een korte, weemoedig klinkende triller van twee of drie dalende fluittonen, in de vroege ochtend en de schemering herhaald.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine, rondkoppige zanger met een dunne snavel en een rechtopstaande houding. Beide geslachten hebben een staart en stuit die helder blauw zijn, oranje tot roestkleurige flanken, een witte keel en grijswitte onderdelen. Het oude mannetje is donkerblauw van boven, met een helderder blauwe schouderstreek en wenkbrauwstreep. Vrouwtjes en jonge mannetjes zijn effen olijfbruin van boven, alleen stuit en staart blijven blauw, en hebben een bruinige waas over de borst die de witte keel als een omlijnde vlek laat uitkomen. Een smalle lichte oogring maakt het oog groot.

Verwarrings­soorten

Geen andere zangvogel in het gidsgebied combineert een blauwe staart met oranje flanken. De roodkeelnachtegaal, die op dezelfde eilanden verschijnt, heeft een effen bruine staart en een dubbele witte gezichtsstreep. De blauwborst heeft een oranjerode staartbasis met zwarte eindband in plaats van een geheel blauwe staart. Bij slecht licht kan een vrouwtje op een vrouwtje-achtige roodstaart lijken, maar die heeft een roestrode, niet blauwe staart en geen oranje flankvlek.

Leefgebied

Broedt in vochtig, schaduwrijk naaldbos en gemengd bos met sparren en larix, met mos, dood hout en dichte ondergroei; in het zuiden van het areaal in bergbos tot aan de boomgrens en in het dwergstruweel daarboven. De winter brengt hij door in altijdgroen bos, bamboe en struweel in Zuidoost-Azië, vaak in vochtige dalen. De dwaalgasten in Alaska zitten noodgedwongen in laag struweel, langs gebouwen en in kruidenvegetatie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Finland en Noordwest-Rusland oostwaarts door Siberië tot Kamtsjatka, Mongolië, Noordoost-China, Korea en Japan; in Japan buiten Hokkaido is hij standvogel, de rest van de populatie overwintert in Zuid-China, Taiwan, Indochina, Myanmar en Thailand. Het Europese broedgebied breidt zich al decennia westwaarts uit. In het gidsgebied zijn er meerdere gevallen van West-Alaska, daarnaast een waarneming op San Clemente Island voor Zuid-Californië, een overwinterende vogel aan de centrale Californische kust en een geval in New Jersey.

Waar en wanneer kijken

Op de Beringzee-eilanden vallen de meeste gevallen in eind mei en juni. Zoek laag bij de grond, langs de voet van struiken en bij gebouwen; de vogel verplaatst zich met korte sprongen en laat telkens even de blauwe staart zien. Buiten Alaska gaat het om overwinteraars die dagenlang op dezelfde plek terugkeren, zodat een gemelde vogel meestal nog te vinden is.

Staat van instandhouding

De soort is talrijk en het areaal is enorm; de Rode Lijst heeft haar in de huidige afbakening, na afsplitsing van de himalayablauwstaart, niet apart beoordeeld. In Europa neemt het broedgebied toe en verschuift het westwaarts. In het gidsgebied gaat het alleen om dwaalgasten; het aantal gevallen nam de laatste jaren toe, wat samenhangt met meer waarnemers en betere herkenning van vrouwtjeskleed.

Wetenschappelijke naam

Tarsiger cyanurus | (Pallas, 1773)

Pallas beschreef de soort in 1773 als Motacilla Cyanurus, naar materiaal van de Jenisej; door de latere plaatsing in een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tarsiger werd in 1845 ingevoerd door Brian Houghton Hodgson, van Grieks tarsos 'voetzool' en Latijn gerere 'dragen'. De soortnaam cyanurus komt van Grieks kuanos 'donkerblauw' en -ouros '-staartig'. De Nederlandse naam noemt diezelfde staart, de Engelse Red-flanked Bluetail zowel de staart als de flanken.