Alle soortenSteltloperachtigenMeeuwen, sterns en schaarbekken › Bonte stern

Bonte stern | Onychoprion fuscatus

Sooty Tern | Charrán sombrío

De bonte stern is zwart van boven en wit van onderen, en hij is de zeevogel die het verst van de vaste wal leeft: zijn verenkleed is niet waterdicht genoeg om op zee te rusten, zodat uitgevlogen jongen jarenlang vrijwel onafgebroken in de lucht blijven. Met naar schatting drieëntwintig miljoen volwassen vogels is hij een van de talrijkste zeevogels ter wereld, maar in het aaneengesloten deel van de Verenigde Staten broedt hij op één enkel zandeilandje.

Bonte stern (Onychoprion fuscatus)
Foto: Duncan Wright, USFWS — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Een kolonie is dag en nacht te horen: een dichte wolk van geluid waarin één roep boven alles uitkomt, een hoog en nadrukkelijk wek-a-wek dat Engelstalige zeelieden als wide-a-wake optekenden en waaraan de soort haar bijnaam wideawake tern dankt. Daaromheen klinkt aanhoudend geknor en gekras van vogels op de grond. Op zee is hij veel stiller, maar een troep die boven een school roofvis foerageert maakt opnieuw een scherp, blaffend lawaai. Het geluid van een grote kolonie draagt kilometers ver over water en is bij windstil weer al te horen voordat het eiland in zicht komt.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote, langvleugelige stern, van boven roetzwart en van onderen zuiver wit, met een scherp begrensde witte voorhoofdsvlek die precies boven het oog eindigt. De staart is diep gevorkt met witte buitenste staartpennen; snavel en poten zijn zwart. In vlucht is de tegenstelling groot: zwarte slagpennen tegen witte ondervleugeldekveren. Man en vrouw zijn gelijk. Jonge vogels zijn een verrassing en lijken in niets op hun ouders: geheel roetbruin tot zwart, met fijne witte druppelvlekken op mantel en vleugeldekveren. De vlucht is krachtig en recht, met stijve slagen hoog boven het water.

Verwarrings­soorten

De brilstern (Onychoprion anaethetus) is het grote struikelblok en scheelt maar weinig in formaat. Bij de bonte stern is de rug zwart, bij de brilstern grijs, en de nek van de bonte stern is even zwart als de kap terwijl de brilstern een lichte kraag tussen kap en rug houdt. De witte voorhoofdsvlek eindigt bij de bonte stern boven het oog; bij de brilstern loopt hij als een smalle wenkbrauwstreep tot achter het oog door. Van onderen zijn de slagpennen bij de bonte stern donkerder. Jonge, geheel donkere bonte sterns worden ook wel voor een noddy (Anous stolidus) aangezien, maar die is bruin met een lichte kruin en heeft een wigvormige, niet gevorkte staart.

Leefgebied

Buiten de broedtijd leeft hij op open, warme oceaan, vaak honderden kilometers uit de kust, waar hij vist boven scholen tonijn en dolfijnvissen die kleine vis en inktvis naar het oppervlak jagen. Hij duikt niet: hij pakt de prooi al vliegend van of vlak onder het wateroppervlak. Broeden doet hij op zandige koraaleilandjes en kale rotseilanden met lage begroeiing, in kolonies die tot een miljoen paren kunnen tellen. Land raakt hij verder niet aan, en op het water gaat hij vrijwel nooit zitten: drijfhout, boeien en zonnende zeeschildpadden zijn de enige rustplaatsen die hij gebruikt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt op tropische eilanden in alle oceanen. Binnen dit gidsgebied liggen de kolonies op Hawaï — ruim een miljoen paren, met Laysan en Lisianski elk rond de half miljoen — en verspreid over de Caraïben, van de Bahama's en Cuba tot Puerto Rico en de cayos van Belize en Honduras. In het aaneengesloten deel van de Verenigde Staten broedt hij alleen op Bush Key in de Dry Tortugas voor de kust van Florida, in de orde van twintigduizend paren. Van april tot september zwerft hij over de Golf van Mexico en de Golfstroom voor de zuidoostkust; daarbuiten trekt hij weg naar tropische wateren, ver van elke kust. Orkanen voeren hem geregeld diep het binnenland in, tot in Oklahoma, Arkansas en Ohio toe.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Een boottocht naar de Dry Tortugas tussen half april en half juni is de zekerste manier: de kolonie op Bush Key is vanaf het water te zien en te horen, en de vogels vullen de lucht boven Fort Jefferson. Op elke pelagische tocht in de Golfstroom in de zomer geldt één regel: kijk naar de rug. Zwart is bonte stern, grijs is brilstern, en dat verschil houdt ook op grote afstand stand.

Staat van instandhouding

De wereldpopulatie ligt in de orde van drieëntwintig miljoen volwassen vogels en de soort geldt als niet bedreigd. Plaatselijk is het beeld minder rustig: ingevoerde ratten en katten kosten kolonies hun jongen, en op tal van eilanden zijn eieren eeuwenlang geraapt. In de Dry Tortugas is de kolonie gevoelig voor verstoring en voor orkanen die het broedstrand wegslaan. Omdat een groot deel van de vogels op enkele reusachtige kolonies broedt, telt elk verlies daar zwaar.

Wetenschappelijke naam

Onychoprion fuscatus | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Sterna fuscata; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Onychoprion is gevormd uit het Griekse onyx 'klauw' en prion 'zaag'. fuscatus is Latijn voor 'donker gemaakt', naar de zwartbruine bovenzijde. Het beschreven exemplaar kwam van Santo Domingo op Hispaniola, midden in het Caraïbische broedgebied.