Alle soortenZangvogelsAmerikaanse zangers › Brilparulazanger

Brilparulazanger | Setophaga americana

Northern Parula | Parula norteña

De brilparulazanger is de kleinste zanger van het oosten van Noord-Amerika: blauwgrijs met een groene vlek midden op de rug, een gele keel en twee witte halve manen rond het oog. Waar hij broedt hangen baardmos of Spaans mos aan de takken, want daarin bouwt hij zijn nest.

Brilparulazanger (Setophaga americana)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een oplopende, rasperige triller die abrupt afbreekt met een omhoog geknepen slotnoot: zieeeeee-up. Een tweede zangtype bestaat uit een reeks korte, hakkelende zoemtonen die trapsgewijs stijgen en dalen, zonder duidelijk slot. Het geluid komt bijna altijd hoog uit de kroon en klinkt dun. De roep is een zacht, scherp tsjip; in nachttrek een hoge, oplopende tsiet.

Luister: ZangXC142585

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Tahquamenon Falls State Park, Luce, Michigan, United States · xeno-canto

Herkenning

Blauwgrijs van boven met een driehoekige geelgroene vlek op de mantel, twee brede witte vleugelstrepen en witte vlekken in de staarthoeken. Keel en borst zijn geel, de buik wit. Het mannetje heeft een roestrode en een zwartblauwe band dwars over de bovenborst, die op afstand als één donkere vlek oogt; het vrouwtje heeft die band niet of maar vaag. Beide geslachten hebben een gebroken witte oogring, een witte halve maan boven en onder het oog, waaraan de Nederlandse naam refereert. De ondersnavel is licht, bijna oranjegeel. Hij hangt vaak ondersteboven aan de takpunten, als een mees.

Verwarrings­soorten

De maskerparulazanger is het nauwste vergelijk: die mist de witte oogmanen, heeft een donker masker rond het oog, en het geel van de keel loopt door over de hele buik zonder witte onderbuik. De geelkeelzanger is groter, met een zwarte kopzijde, een witte wenkbrauwstreep en streepjes op de flank. De canadazanger heeft een blauwgrijze rug maar geen vleugelstrepen en een zwarte ketting op de borst. Vogels in herfstkleed verliezen de borstband en lijken dan meer op de zuidelijke soort.

Leefgebied

Vochtig, oud bos langs beken, moerassen en riviervlakten, waar epifyten aan de takken hangen: in het noorden naaldbos en gemengd bos met baardmos, in het zuiden moerasbos en cipressenmoeras met Spaans mos. Waar die mossen ontbreken, ontbreekt meestal ook de vogel. In de winter is hij veel minder kieskeurig en zit hij in bos, struweel, mangrove en in koffie-, cacao- en citrusplantages.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van het oosten van Noord-Amerika, van Zuid-Manitoba, Ontario en Newfoundland tot de Golfkust en Florida. In het middenwesten en delen van het noordoosten is hij in de twintigste eeuw uit grote gebieden verdwenen, wat in verband is gebracht met het terugdringen van baardmos door luchtvervuiling; in een deel daarvan keert hij terug. Hij overwintert in Zuid-Florida, op de Bahama's en de Grote Antillen, en van Oost- en Zuid-Mexico tot Nicaragua. Aankomst in het zuiden al in maart, in het noorden in mei.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Volg in april en mei een beekdal met oud loofbos en houd de bovenste takken in de gaten; de oplopende triller met het geknepen slot verraadt hem eerder dan het oog. In het zuiden is elke sliert Spaans mos een kansrijke plek — kijk naar de onderkant van de bundel, daar hangt het nest en daar foerageert de vogel.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 18 miljoen vogels. Tussen 1966 en 2019 nam het aantal met ruim één procent per jaar toe, samen ongeveer 47 procent, en de soort scoort 8 van de 20 op de zorgindex, dus laag. Het historische verlies in het middenwesten hing samen met kaalkap, het droogleggen van veenmoerassen en met de gevoeligheid van baardmos voor zwaveldioxide; met schonere lucht herstelt die mosbegroeiing zich plaatselijk. Het behoud van moerasbos en beekdalbos is de belangrijkste maatregel op het broedgebied.

Wetenschappelijke naam

Setophaga americana | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Parus americanus, dus als een mees; door de plaatsing in Setophaga staan auteur en jaartal tussen haakjes. Uit die eerste indeling stamt ook de naam Parula, een verkleinwoord van Parus: 'meesje'. Bonaparte voerde Parula in 1838 als geslachtsnaam in; het geslacht is later opgegaan in Setophaga, van het Oudgriekse ses 'mot' en phagos 'etend'. De soortnaam americana betekent 'Amerikaans'. Het Nederlandse deel 'bril' verwijst naar de witte oogmanen. De typelocatie werd later beperkt tot South Carolina.