Alle soortenZangvogelsWinterkoningen › Carolinawinterkoning

Carolinawinterkoning | Thryothorus ludovicianus

Carolina Wren | Chivirín de Carolina

De carolinawinterkoning is de grootste winterkoning van het oosten en de luidste vogel van zijn formaat: twintig gram die door een gesloten raam heen te horen is. Hij trekt niet, en na een winter met veel sneeuw duurt het jaren voordat de noordrand van zijn areaal weer bezet is.

Carolinawinterkoning (Thryothorus ludovicianus)
Foto: Rhododendrites — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Alleen het mannetje zingt, een korte, ver dragende strofe van drie of vier herhaalde lettergrepen: tie-ketel tie-ketel tie-ketel, of wiedel-wiedel-wiedel. Hij houdt dat het hele jaar vol, ook in januari, en één vogel zet enkele tientallen verschillende strofen achter elkaar voordat hij bij de eerste terugkomt. Het vrouwtje zingt niet maar ratelt erdoorheen, een droge tsjrrr die precies over de strofe van haar partner valt, zodat het paar als één geluid klinkt. Daarnaast een scherp tsjink en een langgerekt krassend tsjèèr zodra er een kat of een slang in de buurt komt.

Luister: ZangXC384609

Opname: Matthias Sirch — CC BY-SA 4.0 · South Hero, Grand Isle County, Vermont, United States · xeno-canto

Herkenning

Roestbruin van boven, warm okerkleurig tot kaneelbruin van onderen, met een witte keel en een brede witte wenkbrauwstreep die van de snavel tot in de nek doorloopt. De snavel is lang en licht gebogen; de staart is lang, fijn zwart gebandeerd en wordt meestal schuin omhoog gedragen, maar bij het zingen recht naar beneden. Ook de vleugels dragen fijne donkere bandering, en de onderstaartdekveren zijn zwart-wit gebandeerd. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een minder scherpe wenkbrauw en een grauwere keel. Met twaalf tot veertien centimeter en bijna twintig gram is hij bijna tweemaal zo zwaar als de huiswinterkoning.

Verwarrings­soorten

De huiswinterkoning (Troglodytes aedon) is kleiner, grijsbruin in plaats van roestbruin, en heeft hooguit een vaag streepje boven het oog waar de carolinawinterkoning een brede witte band draagt. Bewicks winterkoning (Thryomanes bewickii) heeft eveneens een witte wenkbrauw, maar is grijs van onderen in plaats van okerkleurig en heeft witte hoeken in de staart, die hij zijwaarts heen en weer zwaait. De winterkoningmees van de westkust draagt zijn staart net zo rechtop maar is egaal bruingrijs zonder wenkbrauw, en de twee arealen raken elkaar nergens. Klinkt een strofe te luid voor het struikgewas waar hij uit komt, dan is het in het oosten vrijwel altijd deze soort.

Leefgebied

Dicht struweel met rommel op de grond: braamstruiken, omgevallen stammen, takkenhopen, klimop tegen een muur, de verwilderde hoek achter in een tuin. Hij blijft lager dan welke andere zangvogel van het loofbos ook en komt zelden boven manshoogte, behalve om te zingen. In het zuiden gaat hij tot in moerasbos van cipres en gomboom en in de dichte onderlaag van rivierbossen. Open akkerland en gesloten hoogbos zonder ondergroei gebruikt hij niet. Hij nestelt in vrijwel elke holte: een boomstronk, een brievenbus, een schoen op een veranda, een bloempot in een schuur.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het oosten van de Verenigde Staten, van het zuiden van Ontario en New England tot Florida en de Golfkust, westwaarts tot in Texas en oostelijk Kansas en Nebraska, en zuidwaarts langs de oostelijke helling van Mexico tot Veracruz en Oaxaca. Hij trekt niet: de meeste vogels blijven hun leven binnen een paar honderd meter van de plek waar ze zijn uitgevlogen. De noordgrens is in de twintigste eeuw ver opgeschoven, tot in Maine, Vermont en Michigan, maar valt na elke winter met langdurige sneeuwbedekking weer terug, om in enkele jaren opnieuw te worden ingenomen. De vogels van Yucatán, Belize en Guatemala, met een smallere witte wenkbrauw, worden in sommige lijsten als aparte soort gevoerd.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in februari of maart langs een bosrand met veel dood hout en wacht op de strofe: hij zingt dan al volop terwijl de meeste andere zangvogels nog zwijgen. Komt er niets, maak dan een zacht sissend geluid tussen je tanden — op dat geluid komt hij dichterbij dan bijna elke andere vogel, en vaak antwoordt het vrouwtje met haar ratel voordat je de zanger zelf ziet. Kijk laag: op ooghoogte en eronder, in de donkerste hoek van het struweel.

Staat van instandhouding

Op de Rode Lijst staat hij als niet geëvalueerd (NE). De Noord-Amerikaanse broedvogeltelling laat sinds 1966 een stijging zien, en het areaal is in dezelfde periode naar het noorden uitgebreid. De sterfte in strenge winters is de grootste rem: na de winters van 1977 en 1978 verdween hij uit grote delen van het noordoosten, en het duurde ongeveer tien jaar voordat de aantallen terug waren. Het opruimen van dood hout en takkenhopen neemt hem zijn nest- en schuilplaatsen af.

Wetenschappelijke naam

Thryothorus ludovicianus | (Latham, 1790)

Latham beschreef de soort in 1790 als Sylvia ludoviciana, bij de zangers; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Thryothorus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot en is gevormd uit het Griekse thryon, 'riet', en thouros, 'onstuimig': de vogel die door het riet stormt. ludovicianus betekent 'van Louisiana', naar de Latijnse vorm van de naam Lodewijk. De typelocatie is Louisiana, dat in 1790 een gebied aanduidde dat het hele stroomgebied van de Mississippi omvatte.