Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Moerasgors
Moerasgors | Melospiza georgiana
Swamp Sparrow | Chingolo pantanero
De moerasgors is de gors van riet, zegge en natte struwelen in het oosten en het midden van Noord-Amerika: roodbruin van kruin en vleugels, grijs van gezicht en borst, met langere poten dan verwante gorzen om in ondiep water te kunnen foerageren. Hij is vrijwel altijd dicht bij water te vinden.
Geluid
De zang is een langzame, gelijkmatige triller op één toonhoogte, trager en voller dan die van de dennengors en muzikaler dan die van de junco. Een mannetje beheerst enkele trillervarianten en wisselt ze af; in het voorjaar zingt hij ook 's nachts. De roep is een hard, metaalachtig tsjink dat aan twee tegen elkaar geslagen steentjes doet denken, en in de vlucht een dun, hoog tsiep.
Opname: Doug Hynes — CC BY-SA 4.0 · South River, Newfoundland and Labrador, Canada · xeno-canto
Herkenning
Een middelgrote, gedrongen gors met een korte kegelvormige snavel en een tamelijk lange, aan het eind afgeronde staart. In broedkleed heeft het mannetje een effen roestrode kruin, een grijs gezicht, een grijze nek en een witte keel die scherp afsteekt tegen de grijze borst. De vleugels en de rug zijn warm roestbruin met zwarte streping; de flanken zijn ongestreept okerbruin. Buiten de broedtijd is de kruin bruin met een grijze middenstreep en is het geheel doffer. Jonge vogels hebben een gestreepte borst en een effen bruine kruin.
Verwarringssoorten
De liedgors is groter, heeft een zwaar gestreepte borst met een donkere centrale vlek en een langere, ronde staart. De lincolngors heeft fijne, scherpe streepjes op een okerkleurige borstband en een okerkleurige baardstreep. De dennengors heeft een effen grijze borst en een roestrode kruin, maar ook een witte wenkbrauwstreep, een zwarte oogstreep en een tweekleurige snavel met een gele ondersnavel, en zit in struweel en niet in riet. Let op de combinatie van witte keel, grijs gezicht en ongestreepte okerbruine flanken.
Leefgebied
Zoetwatermoerassen met lisdodde, riet en zeggenpollen, veenmoerassen met struikwilg, natte zeggevelden en de oeverzone van beken en vijvers; ook in moerasbos met open plekken. De ondersoort nigrescens van de kustvlakte broedt in getijdenkwelders aan de Atlantische kust. In de winter zit de soort ruimer: naast moeras ook in verruigde velden en oeverstruweel, soms honderden meters van open water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Brits-Columbia en de Northwest Territories door heel boreaal Canada tot Newfoundland, en in de Verenigde Staten van Montana en de Dakota's over de Grote Meren naar New England en langs de Atlantische kust zuidwaarts tot Maryland en Delaware. Het overwinteringsgebied ligt vooral in het zuidoosten, van Texas en de Golfkust tot Florida en noordwaarts tot de middenstaten; in het westen overwinteren kleine aantallen. Enkele vogels halen in de winter Noordoost-Mexico. De kustvlakte-ondersoort overwintert in de kwelders van de Carolina's.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Sta in mei bij het eerste licht aan de rand van een rietmoeras en zoek de zingende vogel op een lisdoddestengel of een wilgentak — dan zit hij hoger dan op enig ander moment van het jaar. In de winter werkt piepen (pishing) goed: de vogel komt vaak een paar tellen boven op de vegetatie zitten, laat de witte keel en de ongestreepte flanken zien en zakt weer weg.
Staat van instandhouding
De soort staat als niet bedreigd op de Rode Lijst, is wijdverbreid en talrijk en vertoont over het geheel een stabiele trend. Regionaal is er wel verlies: met het draineren van moerassen in het binnenland en, aan de Atlantische kust, met het verdwijnen van getijdenkwelder door zeespiegelstijging en kustbebouwing. Juist de kustvlakte-ondersoort met haar kleine areaal is daar kwetsbaar voor.
Wetenschappelijke naam
Melospiza georgiana | (Latham, 1790)
John Latham beschreef de soort in 1790 als Fringilla georgiana; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het beschreven exemplaar kwam uit het binnenland van Georgia, waar de soort alleen overwintert — vandaar de soortnaam, die niets zegt over het broedgebied. Het geslacht Melospiza werd in 1858 ingevoerd door Spencer Fullerton Baird, naar het Griekse melos 'lied' en spiza 'vink'. De Nederlandse naam volgt de Engelse en verwijst naar het leefgebied.






