Alle soortenRoofvogelsHavikachtigen › Ruigpootbuizerd

Ruigpootbuizerd | Buteo lagopus

Rough-legged Hawk | Busardo calzado

De ruigpootbuizerd broedt op kliffen in de arctische toendra en is in de rest van Noord-Amerika vooral een wintervogel van open land. Hij is een van de weinige grote roofvogels die geregeld biddend jaagt, en zijn poten zijn tot op de tenen bevederd — het kenmerk waar zowel de Nederlandse als de wetenschappelijke naam op wijst.

Ruigpootbuizerd (Buteo lagopus)
Foto: Rob Hanson — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter is hij zo goed als stil. Op de broedplaats geven de oudervogels bij dreiging een luide, katachtige mauw van ongeveer een seconde, die om de vijftien tot dertig seconden wordt herhaald, zittend zowel als vliegend. In de balts klinkt daarnaast een fluitende toon die aan het eind in gesis overgaat. Wie hem in de toendra hoort roepen, staat meestal al te dicht bij het nest.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een grote buizerd die voor het geslacht lang en smal van vleugel is, met een lange staart; zwevend zijn de vleugelpunten breed en iets naar achteren geknikt, zodat het silhouet een flauwe M vormt. Bij de lichte vorm is de ondervleugel bleek met een zwarte vlek op de vleugelboeg en heeft de staart een witte basis met donkere eindband; het vrouwtje heeft een bleke kop en een gesloten zwarte buikvlek, het mannetje een donkerder kop en een meer gestreepte borst. Jonge vogels tonen een opvallend wit venster in de handpennen. De donkere vorm is vrijwel geheel donkerbruin, maar houdt een bleke achterrand aan de ondervleugel en smalle witte staartbanden. Bij alle kleden lopen de veren door tot aan de tenen, anders dan bij de meeste buizerds, en is het vrouwtje groter dan het mannetje.

Verwarrings­soorten

De roodstaartbuizerd is korter en breder van vleugel, mist de witte staartbasis en heeft een buikband van losse strepen in plaats van een gesloten zwarte vlek; zijn poten zijn geel en onbevederd. De rosse ruigpootbuizerd is groter, van onderen witter, met roestbruine bevederde poten die een V vormen, en heeft geen zwarte polsvlekken. Boven hetzelfde winterlandschap jaagt de blauwe kiekendief ook laag en zoekend, maar die is veel slanker, heeft een witte stuitvlek en houdt de vleugels in een duidelijke V. Donkere ruigpootbuizerds worden voor donkere prairiebuizerds aangezien; de bleke achterrand van de ondervleugel en de witte staartbasis blijven dan het verschil.

Leefgebied

In de broedtijd toendra, kaal hoogland en de bovenrand van het boreale bos, met een klif, rotswand of steile oever om op te nestelen; in beboste streken jaagt hij boven open venen. In de winter is het open land: prairie, sagebrush, halfwoestijn, akkers, moerassen, natte weiden en duinen. Wat al die plekken delen is een vrij uitzicht over lage begroeiing met veel woelmuizen, en een paal, een hek of een enkele boom om vanaf te loeren. Gesloten bos en bebouwing mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van het noorden van zowel Noord-Amerika als Eurazië; in dit gebied van Alaska oostwaarts door de toendra van Yukon, de Noordwestelijke Territoria en Nunavut tot Noord-Quebec en Labrador. Hij verlaat het broedgebied eind september en overwintert in Zuid-Canada en het noorden en midden van de Verenigde Staten, zuidwaarts tot ongeveer de lijn Noord-Californië–Kansas–Virginia. De tocht naar het zuiden is geen vaste trek maar een invasie: in jaren waarin de stand van lemmingen en woelmuizen in het noorden instort, komen veel meer vogels en veel verder zuidwaarts dan in goede jaren, zodat een streek de ene winter vol zit en de volgende leeg is. Ook het broedgebied zelf schuift met die knaagdiercyclus mee, en bij weinig prooi broedt een paar helemaal niet.

  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de winter boven vlak, open land — een akkercomplex, een vliegveld, een kwelder — en let op een grote roofvogel die met snel slaande vleugels stil in de wind blijft hangen: van alle grote roofvogels hier bidt hij het meest. Zittend kiest hij vaak de allerdunste top van een boom of paal, waar een roodstaartbuizerd te zwaar voor zou zijn. Draait hij weg, dan is de witte staartbasis met donkere eindband op grote afstand het eerste dat opvalt.

Staat van instandhouding

De wereldwijde broedpopulatie wordt op ongeveer 590.000 vogels geschat en is stabiel; de soort geldt als niet bedreigd. Regionale aantallen schommelen sterk met het prooiaanbod, zodat een telling uit één winter weinig zegt over de trend. Een aanwijsbare doodsoorzaak in de winter is het verkeer: vogels die in de berm van een weg aas eten, worden aangereden.

Wetenschappelijke naam

Buteo lagopus | (Pontoppidan, 1763)

Erik Pontoppidan beschreef de soort in 1763 als Falco Lagopus, bij de valken; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Buteo werd in 1799 ingevoerd door Lacépède, naar het Latijnse buteo, de klassieke naam voor een buizerdachtige roofvogel. lagopus is Grieks, van lagos 'haas' en pous 'voet': hazenvoet, naar de tot op de tenen bevederde poten. Bij de beschrijving is geen vindplaats genoemd; de typelocatie wordt als Denemarken opgevat.