Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Sparrenzanger
Sparrenzanger | Setophaga fusca
Blackburnian Warbler | Reinita gorjinaranja
De sparrenzanger is de enige Noord-Amerikaanse zanger met een oranje keel en kop; bij het mannetje zijn keel, wenkbrauw en voorhoofd oranje tot vuurkleurig, omlijst door een zwarte driehoek over de oorstreek. Hij broedt in oude naaldbossen van Zuid-Canada tot de Appalachen en overwintert in de bergbossen van de noordelijke Andes.
Geluid
De zang is uitzonderlijk hoog en dun: een reeks ijle sip-notities die versnellen en overgaan in een aanhoudende, steeds hoger wordende tsiiiii, die bij oudere waarnemers vaak boven het gehoor uit klimt. Er is ook een kortere, lagere versie die overdag en tegen buurmannetjes wordt gebruikt. De roep is een scherp, hoog sip, nauwelijks van dat van verwante zangers te scheiden. Mannetjes zingen bijna altijd vanaf de top van een hoge conifeer.
Opname: Rosa Elena Albornoz @rosaelena_naturaleza — CC0 · San Antonio De Los Altos (near Parroquia Macarao), Municipio Los Salias, Miranda, Venezuela · xeno-canto
Herkenning
Het broedende mannetje heeft een oranje keel en borst die naar de buik verbleekt tot wit met zwarte flankstrepen, een zwarte kruin met een oranje middenscheiding, en een zwarte driehoekige oorvlek waar het oranje omheen loopt. De rug is zwart met witte lengtestrepen, de vleugel toont een groot wit veld dat door de twee vleugelstrepen wordt gevormd. Het vrouwtje heeft hetzelfde patroon in geel en grijsbruin, met twee smalle witte vleugelstrepen en twee lichte lengtestrepen over de rug, de zogenoemde bretels. In het najaar is de keel bleekgeel, maar de donkere oorvlek en de bretels blijven staan.
Verwarringssoorten
In najaarskleed lijkt hij op de zwartkeelgroenzanger, die echter een geheel groene rug zonder bretels heeft, en op de gele vorm van de dennenzanger, die een langere staart, ongestreepte flanken en vagere vleugelstrepen heeft. De kaapmaizanger heeft een gestreepte borst, een geel stuitje en een fijnere snavel. De doorslag geven de twee lichte strepen over de donkere rug en het driehoekige donkere wangvlak, die bij de sparrenzanger het hele jaar zichtbaar blijven.
Leefgebied
Broedt in oud, gesloten naald- en gemengd bos met sparren, fijnsparren en hemlock, en houdt zich vrijwel uitsluitend in de bovenste laag van het bladerdak op; het nest ligt meestal boven de twaalf meter. In de zuidelijke Appalachen hangt het voorkomen samen met oude hemlockopstanden. Op trek zakt hij af naar loofbos en soms tot in struiken en gazons langs de kust bij massale aankomsten. In de winter zit hij vooral boven de duizend meter in regen- en nevelwoud, in secundair bos, dwergbos en schaduwkoffie.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Het broedgebied loopt van Centraal-Alberta en Saskatchewan oostwaarts door Ontario, Quebec en de Maritieme provincies, en in de Verenigde Staten door Minnesota, Wisconsin, Michigan, New England en New York, met een smalle uitloper langs de Appalachen tot Noord-Georgia. De trek verloopt over het oosten van het continent, met veel vogels langs de Golfkust en door Oost-Mexico en Midden-Amerika. Het winterareaal ligt in de bergen van Colombia, Venezuela, Ecuador en Peru tot in Bolivia; binnen dit gidsvenster overwintert hij alleen in Colombia en Venezuela.
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in mei in de top van hoge naaldbomen en langs oude hemlockgeulen; het oranje is bij zijlicht al op grote afstand te zien. Wie de hoogste tonen niet meer hoort, moet op beweging en op de zwarte wangdriehoek letten in plaats van op de zang, want de laatste noot van het lied ligt voor veel oren buiten bereik.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 13 miljoen broedvogels en noteert sinds 1970 een toename van ongeveer tien procent; de continentale zorgscore is 9 van 20. De soort is daarmee wijdverbreid en niet bedreigd, maar hangt aan twee kwetsbare bosveranderingen: het verlies van oude hemlock in de Appalachen door de hemlockwolluis, en de ontbossing van de Andesbergbossen waar bijna de hele populatie overwintert. Bestrijdingsmiddelen tegen de sparrenrups raken zowel de vogel als zijn belangrijkste prooi.
Wetenschappelijke naam
Setophaga fusca | (Müller, 1776)
Philipp Ludwig Statius Müller beschreef de soort in 1776 als Motacilla fusca; de haakjes om auteur en jaartal geven aan dat ze later in een ander geslacht is geplaatst. Het epitheton fusca is Latijn voor 'donker, bruinzwart', naar de zwarte delen van het verenkleed en niet naar het oranje. Het typemateriaal werd toegeschreven aan Guyana, waar de soort hooguit doortrekt. De Engelse naam Blackburnian, ingevoerd in 1785, verwijst naar de Engelse verzamelaarster Anna Blackburne, in wiens kabinet het exemplaar lag dat haar broer uit Noord-Amerika stuurde. De Nederlandse naam wijst op het broedbiotoop van sparrenbos. Het geslacht Setophaga betekent 'moteneter', van het Griekse ses 'mot' en phagos 'etend'.




