Alle soortenZangvogelsStaartmezen › Struikmees

Struikmees | Psaltriparus minimus

Bushtit | Sastrecillo

De struikmees is een van de kleinste zangvogels van het werelddeel: een pluizig grijsbruin balletje van vier tot zes gram met een lange staart en een snaveltje van niets. Mannetje en vrouwtje verschillen alleen in de kleur van het oog — donker bij het mannetje, bleekgeel bij het vrouwtje — en dat is bij een vogel van dit formaat een bruikbaar kenmerk. Je ziet er zelden één: hij komt met tien tot veertig tegelijk, of niet.

Struikmees (Psaltriparus minimus)
Foto: Polinova — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Zang is er niet; wat een groep de hele dag laat horen is een zacht, hoog, aanhoudend tsit ... tsit, waarmee de vogels elkaar in dichte struiken volgen. Opvallender is het alarm: gaat er een sperwer of een gaai over, dan zetten alle vogels van de groep tegelijk een dun, trillend gefluit in dat seconden aanhoudt terwijl ze doodstil blijven zitten. Dat gezamenlijke geluid is bijna niet te plaatsen — het lijkt van overal tegelijk te komen — en het houdt even abrupt op als het begon. Ook de zwaarste stem in zo'n groepje blijft ijl en hoog; alles wat de struikmees zegt, zegt hij aan de bovenkant van het gehoor.

Luister: RoepXC109666

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · McClellan Ranch Preserve, Santa Clara, California, United States · xeno-canto

Herkenning

Tien tot elf centimeter, waarvan bijna de helft staart, met een grote ronde kop, een dik verenpak en een lange staart die in de vlucht achter het lichaam aan lijkt te slepen. Het verenkleed is effen: grijsbruin boven, vuilwit tot lichtgrijs onder, zonder vleugelstrepen of enige andere tekening. Vogels van de kuststreek hebben een bruine kruin en grijze wangen, vogels van het binnenland een grijze kruin met een bruine oorstreek. Het volwassen vrouwtje heeft een bleekgele iris, het mannetje en de jonge vogels een donkere. In het uiterste zuiden, van west-Texas zuidwaarts, dragen mannetjes bovendien een zwart masker over de oorstreek. De vlucht is zwak en dansend, met veel gefladder en korte oversteekjes van struik naar struik.

Verwarrings­soorten

Het roodkroonhaantje is even klein, maar heeft een witte oogring, een duidelijke witte vleugelstreep met een zwarte balk erachter, en het wipt onophoudelijk met zijn vleugels. De blauwgrijze muggenvanger is blauwgrijs in plaats van grijsbruin en zwaait met een lange staart die van onderen wit met zwart is. In de Californische chaparral is de winterkoningmees (Chamaea fasciata) de lastigste: ook bruin, ook langstaartig en ook met een bleke iris, maar de helft langer, met een steviger snavel en met een luide, versnellende zang die de struikmees niet heeft. Een jonge goudmees is eveneens grijs en zonder geel, maar heeft een priemvormige snavel en zit alleen of met zijn tweeën.

Leefgebied

Eikenbos en pijnboom-eikenbos, chaparral, jeneverbes- en pinyonstruweel, wilgen langs beken, en daartussen tuinen, parken en begraafplaatsen met dichte heesters. In de bergen komt hij tot ruim drieduizend meter en in de winter zakken de groepen naar lagere hellingen. Wat hij nodig heeft is een dichte struiklaag met kleinbladige takken; open grasland en donker gesloten naaldbos slaat hij over. Uitheemse sierheesters gebruikt hij even gemakkelijk als inheemse, en daarmee redt hij zich in voorsteden waar van het oorspronkelijke struweel niets over is.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel van het westen: van het uiterste zuidwesten van Brits-Columbia zuidwaarts door Washington, Oregon en Californië, oostwaarts over het Great Basin tot Colorado, New Mexico en west-Texas, en verder door het bergland van Mexico tot in Guatemala. Trek is er niet; wel dalen de groepen in de winter uit de bergen en zwerven ze dan door lagere dalen. In het noordwesten is hij tot in de stadstuinen van Vancouver en Seattle een gewone vogel. Over dat hele bereik verandert alleen de kleur van kruin en wangen, van bruinkruinige vogels aan de kust tot mannetjes met een zwart masker in het zuiden.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop niet achter een groep aan, maar ga staan waar hij naartoe komt. Een groep doet een tuin in nog geen minuut en trekt dan in één richting door, dus wie het getik hoort heeft ongeveer twintig seconden om te kijken. Let in die seconden op de ogen: elke bleekgele iris is een vrouwtje, en zo is in één oogopslag te zien hoe de groep is samengesteld.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met naar schatting 4,3 miljoen broedvogels en een stand die sinds het begin van de tellingen in 1966 stabiel is. Hij hoort bij de handvol soorten die het in aangelegde tuinen even goed doen als in hun eigen struweel, en dat houdt hem talrijk in streken waar de chaparral zelf is opgeruimd. Plaatselijk verdwijnt hij wel waar struweel voor bebouwing helemaal wordt weggehaald in plaats van vervangen.

Wetenschappelijke naam

Psaltriparus minimus | (Townsend, 1837)

Townsend beschreef de soort in 1837 als Parus minimus, bij de mezen, naar vogels uit de bossen langs de Columbia — vermoedelijk bij Fort Vancouver in de huidige staat Washington; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Psaltriparus werd in 1850 ingevoerd door Bonaparte, uit het Griekse psaltria, 'harpspeelster', en het Latijnse parus, 'mees'. minimus is Latijn voor 'de kleinste'. De naam is dus tweemaal een verkleining, en dat past bij een vogel die in de hand nauwelijks weegt.