Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers › Taigavliegenvanger
Taigavliegenvanger | Ficedula albicilla
Taiga Flycatcher | Papamoscas de la taiga
De taigavliegenvanger is een kleine, kortsnavelige vliegenvanger van de Siberische taiga, met een zwarte staart waarin twee witte zijvlekken staan. In het gidsgebied is hij een dwaalgast op de eilanden van West-Alaska, met de meeste gevallen in het voorjaar. Hij houdt de staart vaak omhoog en laat hem dan langzaam zakken.
Geluid
Ook ver buiten de broedtijd laat hij zich horen: de roep is een droge, snelle ratel, harder en gejaagder dan die van de kleine vliegenvanger, vaak voorafgegaan door een kort tsik. De zang bestaat uit een korte reeks heldere, dalende fluittonen die tot een slotnoot wegzakt, gebracht vanuit de onderste helft van de kroon.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een gedrongen vliegenvanger met een rond kopje, grote donkere ogen met een smalle lichte oogring en een korte, geheel zwarte snavel zonder bleke basis. Van boven grijsbruin, van onderen wit met een koudgrijze waas over de borstzijden, zonder warme of okerkleurige tinten. De staart is zwart met een wit veld aan weerszijden van de basis, en de langste bovenstaartdekveren zijn dieper zwart dan de staartpennen zelf. Het mannetje in broedkleed heeft een oranjerode keelvlek die tot de kin beperkt blijft en scherp door een grijze rand wordt afgegrensd; buiten de broedtijd en bij vrouwtjes en jonge vogels is de keel wit.
Verwarringssoorten
De kleine vliegenvanger, een dwaalgast aan de Atlantische kant, heeft een bleke snavelbasis, bruinere bovenstaartdekveren die niet donkerder zijn dan de staart, en warm okerkleurige tinten op keel en borst; het rood van het mannetje loopt door tot op de borst. De taigavliegenvanger klinkt bovendien anders: een harde, ratelende roep tegenover het zachte, droge ratelen van de kleine vliegenvanger. Amerikaanse tirannen van het geslacht Empidonax hebben duidelijke vleugelstrepen en een brede snavel met lichte ondersnavel, en missen de witte staartvlekken.
Leefgebied
Broedt in taiga: naaldbos en gemengd loof-naaldbos met open plekken, bosranden en oude kapvlaktes, en in het noorden ook in berken- en wilgenbos langs rivieren. In het winterkwartier zit hij in open bos, tuinen, boomgaarden en akkerranden en jaagt daar vanaf lage takken en paaltjes. De vogels in Alaska worden gezien in het struweel en de kruidenvegetatie van de eilanden, bij gebrek aan bos.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt van Noordoost-Europees Rusland door Siberië tot Kamtsjatka en Noord-Mongolië en overwintert in Zuid- en Zuidoost-Azië, van India en Bangladesh tot Indochina, Zuid-China en Borneo. In het gidsgebied gaat het om een handvol gevallen, vrijwel alle op de Aleoeten en de Pribilofs; op Attu werden in juni 1987 maximaal veertien vogels tegelijk vastgesteld, wat het grootste aantal in Noord-Amerika blijft. Buiten Alaska zijn er losse waarnemingen, waaronder één in Californië en een eerste Canadees geval bij Vancouver.
Waar en wanneer kijken
Zoek hem eind mei en in juni op de eilanden van de Beringzee, wanneer de meeste gevallen vallen. De roep verraadt hem eerder dan het uiterlijk: een harde ratel uit laag struweel is reden om door te kijken. Let daarna op het contrast tussen de gitzwarte bovenstaartdekveren en de iets bruinere staart, en op de geheel zwarte snavel.
Staat van instandhouding
Het areaal is zeer groot en de populatie talrijk; op de Rode Lijst staat de soort als niet bedreigd. In het winterkwartier verdwijnt open bos en struweel door omzetting naar landbouw, maar er is geen aanwijzing voor een snelle afname. Voor het gidsgebied heeft dat geen betekenis: hier gaat het uitsluitend om dwaalgasten, en het aantal gevallen volgt de aanwezigheid van waarnemers op de eilanden.
Wetenschappelijke naam
Ficedula albicilla | (Pallas, 1811)
Pallas beschreef de soort in 1811 als Muscicapa Albicilla, naar materiaal uit Dauria in Transbaikalië; door de latere plaatsing in Ficedula staan auteur en jaartal tussen haakjes. Ficedula is de Latijnse naam voor een klein vijgenetend vogeltje, van ficus 'vijg'. De soortnaam albicilla is gevormd uit Latijn albus 'wit' en -cilla 'staart', een uitgang die is ontstaan uit een verkeerde ontleding van motacilla; hij slaat op de witte staartvlekken. De Nederlandse en Engelse naam noemen allebei de taiga waarin hij broedt.




