Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse zangers › Tennesseezanger
Tennesseezanger | Leiothlypis peregrina
Tennessee Warbler | Reinita verdillo
De tennesseezanger is een zanger zonder vleugelstrepen en zonder streping, met een grijze kop en een groene rug, die broedt in het boreale bos van Canada en Alaska. Zijn aantal stijgt en daalt met de uitbraken van de sparrenknoprups. De naam verwijst naar de plek waar Alexander Wilson het type verzamelde — een doortrekker aan de Cumberland in Tennessee, ver van het broedgebied.
Geluid
De zang is een luide, doordringende reeks in drie delen, elk sneller en scherper dan het vorige: tsjip tsjip tsjip — tsjewie tsjewie — tit-tit-tit-tit-tit, eindigend in een staccato ratel. Het geluid draagt ver voor zo'n kleine vogel en wordt gezongen vanaf een hoge tak in de bovenste twee derde van de boom. De roep is een dun, hoog tsip; op trek 's nachts een fijne zieet.
Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 4.0 · Bancroft Neighborhood, Minneapolis, Hennepin County, Minnesota, United States · xeno-canto
Herkenning
Het broedende mannetje heeft een leigrijze kop en nek, een duidelijke witte wenkbrauwstreep met een donkere oogstreep eronder, een olijfgroene rug en vleugels, en een witte onderzijde zonder streping en zonder vleugelbanden. Het vrouwtje is doffer en groenig op de kop, met een geel waas op borst en keel. In het herfstkleed lijken beide geslachten sterk op andere soorten: olijfgroen van boven, geelachtig van onderen. Constant blijft dan de witte onderstaartdekveren, samen met de dunne, spitse snavel het bruikbaarste kenmerk.
Verwarringssoorten
De groene zanger is in alle kleden geler op de onderstaartdekveren, heeft een vage streping op de borst en een gebroken oogring in plaats van een scherpe wenkbrauwstreep. De kuifvireo en de roodoogvireo hebben een zwaardere snavel met een haakje en bewegen veel trager. De groenkopvireo heeft een gele keel. Een tennesseezanger valt op door snelle bewegingen hoog in het bladerdak en een puntige, fijne snavel die hij ook in bloemen steekt.
Leefgebied
Boreaal naaldbos en gemengd bos van spar, zwarte spar en berk, vooral in verjongend bos en langs randen van veen, muskeg en beken; het nest staat op de grond in mos of zeggepol. Op trek gebruikt hij vrijwel elk bos, struweel en zelfs parken. In de winter houdt hij zich op in bosranden en in koffieplantages met schaduwbomen, waar hij nectar drinkt uit bloeiende bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedt door de boreale gordel van Zuidoost-Alaska en Yukon oostwaarts tot Newfoundland en de Maritimes, met een zuidgrens in Noord-Minnesota, Michigan, New York en New England. De hele populatie trekt door het midden en oosten van Noord-Amerika en over de Golf van Mexico naar Zuid-Midden-Amerika, de Caraïben en Noord-Colombia en Venezuela. Binnen dit gidsvenster overwintert hij vooral in Guatemala, Honduras en Nicaragua; noordelijker is hij een doortrekker.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De beste kans in het zuiden van het continent is begin mei, als de doortrek piekt: let op de drieledige zang, die uit het bladerdak van straatbomen en stadsparken komt. Op het broedgebied is hij het talrijkst in jaren met een uitbraak van de sparrenknoprups. Kijk bij een onopvallende groene zanger in de herfst altijd eerst naar de onderstaartdekveren: wit wijst op deze soort.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de populatie op ongeveer 110 miljoen vogels. Tussen 1966 en 2015 bleef het aantal volgens de North American Breeding Bird Survey stabiel of nam het licht af, maar het broedgebied ligt zo ver noordelijk dat trends slecht te meten zijn. De aantallen schommelen sterk met de uitbraken van de sparrenknoprups, die enkele jaren duren en dan wegebben; rupsen kunnen in de zomer tot negentig procent van het voedsel voor de jongen uitmaken. Kap van boreaal bos en het verdwijnen van schaduwkoffie in het overwinteringsgebied zijn de aandachtspunten.
Wetenschappelijke naam
Leiothlypis peregrina | (Wilson, 1811)
Alexander Wilson beschreef de soort in 1811 als Sylvia peregrina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Leiothlypis, in 2010 afgesplitst van Vermivora, komt van het Griekse leios 'glad, effen' en thlypis, een naam voor een kleine vogel, naar het ongetekende verenkleed. De soortnaam peregrina is Latijn voor 'rondtrekkend, vreemdelinge'. Wilson verzamelde het type aan de oever van de Cumberland in Tennessee, waar de vogel alleen op doortrek komt; de staat leverde zo de naam voor een soort die er niet broedt.




