Alle soorten › Zangvogels › Tirannen › Vorkstaartkoningstiran
Vorkstaartkoningstiran | Tyrannus savana
Fork-tailed Flycatcher | Tijereta Sabanera
De vorkstaartkoningstiran heeft van alle tirannen de langste staart: bij het mannetje is die twee tot drie keer zo lang als het lichaam. In dit gidsgebied is hij standvogel van de savannes van Zuid-Mexico en Midden-Amerika; verder noordelijk, tot in Canada, verschijnt hij als dwaalgast, vrijwel alleen in de nazomer en de herfst.
Geluid
Het stemgeluid is beperkt: een droge, zoemende roep en een zwak tik in de vlucht. Belangrijker is het mechanische geluid van de vleugels — de ingesneden handpennen brengen bij het vliegen een fluitende toon voort, waarvan de toonhoogte per ondersoort verschilt. Dat verschil is een van de aanwijzingen dat de trekkende en de standvogelvormen uit elkaar groeien. Bij de baltsvlucht klapwiekt het mannetje met de staartpunten gespreid.
Opname: Niels Krabbe — CC BY-SA 3.0 · Salta: Vaqueros, 12 km N Salta, Argentina · xeno-canto
Herkenning
Wit van onderen, grijs van boven, met een zwarte kap die tot onder het oog doorloopt en scherp aftekent tegen de witte keel. Vleugels en staart zijn zwart; de staart is diep gevorkt en bestaat uit lange, lintvormige buitenste staartpennen. Het mannetje meet met staart 37 tot 41 centimeter, het vrouwtje 28 tot 30. Tussen de kruinveren ligt bij het mannetje soms een gele vlek, die alleen bij opwinding zichtbaar wordt. Jonge vogels hebben een veel kortere staart en een bruinere kap.
Verwarringssoorten
De schaarbekkoningstiran, de enige soort met een vergelijkbare staart in Noord-Amerika, heeft een bleekgrijze kop zonder zwarte kap, zalmroze flanken en oksels, en witte in plaats van zwarte staartranden; zijn staart is bovendien korter. De tropische koningstiran en de westelijke koningstiran hebben gele onderdelen en een korte, rechte staart. Bij jonge vorkstaartkoningstirannen die hun staartlengte nog niet hebben, blijven de zwarte kap en de effen witte onderzijde het onderscheid met de schaarbekkoningstiran.
Leefgebied
Open land: savanne, grasland met verspreide bomen, weiland en veeteeltgebied, bosrand en oeverbos, meestal onder 1000 meter. Ook mangrove en dorpsranden met losse bomen. Hij jaagt vanaf een paal of lage tak in het open veld en vangt insecten in de vlucht; buiten het broedseizoen eet hij ook veel vruchten. Dwaalgasten in Noord-Amerika worden meestal in vergelijkbaar open terrein gevonden: weilanden, akkerranden en kustgraslanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Vier ondersoorten. In dit gidsgebied gaat het om monachus, standvogel van Zuid-Mexico — vanaf ruwweg zuidelijk Veracruz en Oaxaca — door Midden-Amerika tot Colombia, Venezuela en Noord-Brazilië. De nominaatvorm broedt in Zuid-Zuid-Amerika en trekt na het austraal broedseizoen noordwaarts naar Amazonië en het Orinocobekken; op die trek vormt hij groepen tot tienduizend vogels. Vogels die daarbij te ver doorschieten, bereiken bijna jaarlijks de oostelijke kuststaten van de Verenigde Staten en zelfs New Brunswick, doorgaans van september tot november.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
In het vaste areaal is hij het hele jaar op palen en draden langs weilanden te vinden. Voor Noord-Amerika geldt september tot november als de kansrijkste periode, bij open kustgrasland aan de Atlantische kant; zulke vogels blijven vaak enkele dagen op dezelfde weide. Let bij een langstaartige tiran altijd eerst op de kopkleur: zwarte kap of bleekgrijs hoofd beslist de zaak, ook als de staart is afgebroken.
Staat van instandhouding
De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd. Het areaal is zeer groot en de soort profiteert van omzetting van bos in weiland en veeteeltgebied. Voor Noord-Amerika heeft de soort geen eigen beschermingsopgave, omdat de aantallen daar uit dwaalgasten bestaan. Onderzoek richt zich op de vraag of de trekkende nominaatvorm en de noordelijke standvogels als aparte soorten moeten worden beschouwd.
Wetenschappelijke naam
Tyrannus savana | Daudin, 1802
Daudin stelde de wetenschappelijke naam in 1802 vast; auteur en jaartal staan zonder haakjes omdat de soort nog in het oorspronkelijke geslacht staat. Tyrannus is Latijn voor 'tiran' of 'alleenheerser', naar het verjagen van veel grotere vogels van het nestterrein. De soortnaam savana gaat terug op Buffons naam le savana uit 1780 en verwijst naar het savannehabitat. Het beschreven exemplaar kwam van de oever van de Río de la Plata en uit de bossen bij Montevideo.




