Alle soortenHoenderachtigenFazantachtigen › Aziatische steenpatrijs

Aziatische steenpatrijs | Alectoris chukar

Chukar | Perdiz chukar

De aziatische steenpatrijs is oorspronkelijk een vogel van de droge bergen tussen Griekenland en de Himalaya, maar is in Noord-Amerika vooral bekend als de steenpatrijs van het Amerikaanse Westen: sinds de jaren dertig van de vorige eeuw als jachtvogel uitgezet, heeft hij zich over tien westelijke staten en delen van Brits-Columbia stevig gevestigd. Op de steilste, kaalste rotshellingen van de Great Basin is hij tegenwoordig de gewoonste hoenderachtige die er te vinden is.

Aziatische steenpatrijs (Alectoris chukar)
Foto: Jabri ali — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

De naam is de roep: een luid, snel herhaald tsjek-tsjek-tsjoe-kar-tsjoe-kar, dat 's ochtends en 's avonds van rotsblokken en heuveltoppen over de canyons schalt en de vogel zijn Engelse naam gaf. Bij verstoring klinkt een schril, opgewonden gekrijs terwijl de groep zich met korte, snorrende vleugelslagen bergafwaarts laat vallen. Buiten het broedseizoen houden groepjes contact met een zachter, gedempt gekakel. Vroeg in de lente, wanneer de mannetjes territorium afbakenen, is de roep het meest aanhoudend te horen.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een gedrongen, zandkleurige hoenderachtige met een scherpe zwarte band die van het voorhoofd door het oog naar de hals loopt en daar een crèmekleurig keelveld omsluit. De flanken zijn opvallend zwart-wit-kastanjebruin gestreept, snavel en oogring zijn koraalrood, en de poten hebben dezelfde kleur. Mannetje en vrouwtje verschillen nauwelijks van buiten, al is het mannetje iets groter en draagt het een kleine spoor. Jonge vogels missen de scherpe kopband en zijn vaag getekend. Op de grond loopt of rent hij liever dan dat hij vliegt, en bij gevaar stort hij zich met een schelle kreet en snelle, korte vleugelslagen van de helling af.

Verwarrings­soorten

De europese steenpatrijs (Alectoris graeca), zijn naaste verwant in Zuid-Europa, komt in Noord-Amerika niet voor en is hier dus geen verwarringsbron; de twee zijn vrijwel identiek en worden vooral aan de roep en het areaal onderscheiden. Binnen zijn Noord-Amerikaanse areaal wordt hij het vaakst verward met de patrijs (Perdix perdix), die kleiner en ronder is, een effen bruine kop zonder de zwarte oogband heeft en een hoefijzervormige buikvlek draagt. Het himalayaberghoen, dat in Nevada dezelfde bergketens bewoont, is veel groter en effen grijs zonder de scherpe zwart-witte kopstreping. Uitgezette fazanten (Phasianus colchicus) delen zijn habitatrand maar zijn veel groter, met een lange puntige staart die de steenpatrijs mist.

Leefgebied

Hij zoekt droge, steile en rotsige hellingen met verspreide struiken en grassen, vooral waar salie-steppe overgaat in kale rotswanden en puinhellingen. Water hoeft niet dagelijks binnen bereik te zijn, maar in de zomer blijft hij zelden ver van een bron of een beekje in een ravijn. Dicht bos, gesloten grasland en akkerland mijdt hij; de combinatie van dekking tussen het gesteente en open zicht op de omgeving is wat hij nodig heeft. Op Hawaï bewoont hij vergelijkbaar droog, rotsig terrein op de hogere hellingen van de vulkanen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Standvogel in het droge Westen van de Verenigde Staten, van Washington en Oregon door de Great Basin — Nevada, Idaho en Utah voorop — tot in Californië, Colorado en Wyoming, met een gevestigde populatie ook in het zuiden van Brits-Columbia, en daarnaast op de hogere, droge hellingen van Hawaï. De eerste introducties, met vogels uit Pakistan, dateren van 1893 en mislukten; pas de invoeren tussen 1931 en 1970 sloegen aan en brachten de soort in tien westelijke staten tot een zichzelf handhavende populatie. Hij trekt niet en verspreidt zich hoogstens over korte afstand, maar vult binnen een streek elke geschikte rotshelling.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in de vroege ochtend op de kale, met salie begroeide hellingen van de Great Basin, en luister eerst: de roep draagt ver over een ravijn en verraadt een groep lang voordat je die ziet. Een opgejaagde groep vliegt zelden ver — hij stort zich bergafwaarts en verdwijnt dan weer tussen de rotsen, dus een tweede blik lukt vaak alsnog.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, met een stabiele populatie van naar schatting acht miljoen vogels; in Noord-Amerika behoort hij tot de meest bejaagde hoenderachtigen van het Westen en zijn de aantallen sinds de jaren zestig van de vorige eeuw stabiel gebleven. Droogte en verlies van salie-steppe aan landbouw en verstedelijking zijn de belangrijkste knelpunten in delen van zijn areaal. Veel staten zetten jaarlijks nog gefokte vogels bij om de jachtdruk op te vangen.

Wetenschappelijke naam

Alectoris chukar | (Gray, 1830)

Gray beschreef de soort in 1830 als Perdix Chukar, bij de patrijzen; omdat ze sindsdien in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Alectoris komt van het Griekse alektoris, 'hen'. De soortnaam chukar is overgenomen uit het Hindi cakor, zelf een klanknabootsing van de roep. Als typelocatie geldt Srinagar in Kumaon, hoewel Gray zelf alleen 'India' noemde.