Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Bandstaartbuizerd
Bandstaartbuizerd | Buteo albonotatus
Zone-tailed Hawk | Busardo aura
De bandstaartbuizerd is een zwartachtige roofvogel van canyons en rivierbossen in het zuidwesten, die in de lucht bijna niet van een kalkoengier te onderscheiden is: dezelfde opgeheven vleugels in een V, hetzelfde wiegen op de wind, dezelfde zilvergrijze slagpennen. Alleen de zwarte staart met brede witte banden en de bevederde kop verraden dat het geen aaseter is maar een jager.
Geluid
De roep is een hoog, schril krieee of krieee-aa dat aan het eind in toonhoogte zakt, in klank vergelijkbaar met die van de roodstaartbuizerd maar ijler en scherper. In het broedseizoen komen daar veel korte, blaffende roepjes bij, en bij verdediging van het nest een langgerekt, lager raaauw. Hij is het luidruchtigst aan het begin van het seizoen, tijdens de baltsvluchten boven de canyonwanden, en verder opvallend stil. Wie in een canyon een roodstaartbuizerd meent te horen terwijl er een 'gier' boven cirkelt, doet er goed aan opnieuw te kijken.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
De volwassen vogel is geheel roetzwart, met een gele washuid boven de snavel en gele poten, en een licht wit vlekje in het gezicht. De slagpennen zijn fijn grijs gebandeerd en lijken van een afstand egaal zilvergrijs, waardoor de ondervleugel tweekleurig oogt: zwarte dekveren, lichte slagpennen. De staart draagt drie tot vier banden — de 'zones' van de Engelse naam — van onderen wit en van boven lichtgrijs, waarvan de tweede van de punt af veruit de breedste is. Het vliegbeeld is het belangrijkste kenmerk: slank, met lange smalle vleugels en een lange staart, de vleugels in een duidelijke V geheven en het lichaam zijwaarts wiegend, precies zoals een kalkoengier; die gelijkenis stelt hem in staat laag over open terrein te zweven zonder dat hagedissen en vogels dekking zoeken, en zijn jachtsucces is hoger als hij tussen echte gieren vliegt. Jonge vogels hebben kleine witte vlekjes op de borst en een staart met veel smalle grijze en zwarte bandjes en een brede donkere eindband; het vrouwtje is groter en zwaarder dan het mannetje, met 845 tot 937 gram tegen 607 tot 667.
Verwarringssoorten
De kalkoengier is de soort waarmee hij dagelijks wordt verward: die heeft een kleine, kale rode kop, ongebandeerde zilveren slagpennen, een ongebandeerde staart en vliegt met traag wiegen en zelden een vleugelslag, terwijl de bandstaartbuizerd een bevederde zwarte kop met gele washuid heeft, een staart met witte banden en met regelmatige, krachtige slagen kan doorvliegen. De zwarte arendbuizerd is korter en breder van vleugel, heeft een veel kortere staart met één brede witte band en lange gele poten, en zweeft met vlakke vleugels in plaats van in een V. De donkere vorm van de roodstaartbuizerd heeft veel bredere vleugels, een korte roodachtige of bleke staart en zweeft eveneens vlakker. De grijze buizerd is veel kleiner en licht grijs, geen verwarring in vlucht maar wel in gehaaste zitwaarnemingen.
Leefgebied
Rotsige canyons, mesa's en kliffen met uitzicht over open land, in combinatie met riviergeleidend bos van katoenhout en wilg. Hij jaagt tot in droge woestijnheuvels en in dennen-eikenbossen tot ongeveer 2.300 meter, en zoekt daarbij vooral randen, open plekken en beekdalen op. De laagste, vlakke woestijn zonder reliëf en de alpiene zone erboven mijdt hij. Water in de buurt is bijna altijd aanwezig; genesteld wordt in een hoge eik of den, of op een rotsrichel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Broedvogel van het zuidwesten van de Verenigde Staten — Arizona, New Mexico, West-Texas en in kleine aantallen Californië — en van het binnenland van Mexico en Midden-Amerika; het areaal loopt door tot in Bolivia, Paraguay en Brazilië, buiten het kaartbeeld van deze gids. In de winter verlaat hij de Verenigde Staten en het noorden van Mexico vrijwel geheel; die vogels overwinteren vooral in Oaxaca en op het schiereiland Yucatán. Sinds de jaren negentig breidt hij zich noordwaarts uit, met dwaalgasten tot ver buiten het areaal, tot in Nova Scotia en Virginia toe. In de Verenigde Staten blijft het om kleine aantallen gaan.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Kijk in het zuidwesten in maart tot september elke overvliegende kalkoengier na. Een 'gier' met een bevederde kop, een gele washuid en een witte band dwars over de staart is deze buizerd, en niets anders; hij vliegt bovendien graag tussen echte gieren mee. Het beste zicht krijg je vanaf de rand van een canyon, op ooghoogte met de vogel, in de ochtenduren voordat de thermiek hem hoog wegtilt.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de wereldpopulatie op twee miljoen vogels en geeft de soort 10 van de 20 punten op de zorgschaal; de Amerikaanse populatie wordt op minder dan tweeduizend broedvogels geschat. De belangrijkste bedreiging is verlies van leefgebied door bebouwing en verandering van het landschap; directe vervolging is afgenomen. Het areaal lijkt zich noordwaarts uit te breiden.
Wetenschappelijke naam
Buteo albonotatus | Kaup, 1847
Kaup beschreef de soort in 1847 als Buteo albonotatus, en in dat geslacht staat ze nog steeds. De soortnaam is samengesteld uit het Latijnse albus, 'wit', en notatus, 'getekend' of 'gemerkt', naar de witte banden in de staart. Buteo is het gewone Latijnse woord voor buizerd. Kaup noemde bij de beschrijving geen vindplaats; het type kwam uit Mexico.




