Alle soortenUilenEchte uilen › Bergdwerguil

Bergdwerguil | Glaucidium gnoma

Northern Pygmy-Owl | Mochuelo Gnomo

De bergdwerguil is nauwelijks groter dan een roodborstlijster, maar slaat vogels die zijn eigen gewicht benaderen. Hij jaagt overdag in de bergbossen van het westen, en op zijn nek staan twee zwarte vlekken die van achteren gezien op ogen lijken.

Bergdwerguil (Glaucidium gnoma)
Hoofdfoto · Foto: ALAN SCHMIERER — CC0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Ondersoorten

Bergdwerguil, ondersoort glaucidium gnoma cobanense, grijze vorm
Ondersoort Glaucidium gnoma cobanense, grijze vorm · Foto: Tommy Andriollo — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks hoge, holle toet-tonen, één à twee seconden uit elkaar, eindeloos herhaald vanuit dekking hoog in een conifeer. Paren zingen soms samen, waarbij de twee reeksen door elkaar heen lopen. Vaak gaat er een snelle, hoge triller aan de reeks vooraf. Het tempo verschilt per streek: vogels van de Pacifische kust roepen trager, die van de Rocky Mountains en Mexico sneller. Wie de toon nafluit krijgt vaak niet de uil te zien maar een boze zwerm mezen en gorzen die hem komen pesten.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Klein en compact, bruin of grijsbruin, met fijne witte spikkels op de ronde kop en grotere witte vlekken op de rug. De onderdelen zijn wit met brede bruine strepen; de staart is voor een uil lang, smal licht gebandeerd en wordt vaak schuin omhoog gehouden. Oorpluimen ontbreken; ogen en snavel zijn geel. Op de achterkant van de nek staan twee zwarte, wit omrande vlekken die van achteren twee ogen nabootsen. Man en vrouw zijn gelijk getekend, het vrouwtje is iets groter. De vlucht is golvend als die van een specht: enkele snelle slagen, dan een korte duik.

Verwarrings­soorten

De braziliaanse dwerguil is het lastigst: die is roodbruiner, heeft fijne lichte streepjes op de kruin in plaats van spikkels, roodbruine in plaats van lichte staartbanden, en zingt ongeveer drie tonen per seconde tegenover één per één à twee seconden. In het veld scheidt het leefgebied ze meestal: de bergdwerguil in bergnaaldbos, de ander in laaggelegen doornstruweel en woestijn. De cactusuil is even klein maar korter van staart, fijn gevlekt in plaats van gestreept en strikt nachtactief. De zaaguil is groter, ongespikkeld op de kruin, kort van staart en heeft een duidelijke gezichtssluier.

Leefgebied

Bergbossen van het westen: sparren- en dennenbos op hoogte, gemengd bos, espenbosjes en de loofhoutstroken langs beken. Hij houdt van randen en open plekken — een gesloten, donker bos biedt hem geen uitkijkpost en geen zangpost. In Mexico en Honduras zit hij in den-eikenbos en nevelwoud. In de winter zakken veel vogels naar lagere delen en komen dan tot in tuinen, parken en dorpen aan de voet van de bergen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Van het zuidoosten van Alaska en Brits-Columbia door de bergketens van het westen — Cascades, Sierra Nevada, Rocky Mountains — tot in Arizona en New Mexico, en verder door de bergen van Mexico en Guatemala tot Honduras. Hij trekt niet: de enige regelmatige verplaatsing is die van hoog naar laag in de winter en terug in het voorjaar. Binnen dit langgerekte areaal verschillen de vogels merkbaar in kleur en in het tempo van de zang, en de grenzen tussen die vormen zijn nog niet uitgekristalliseerd. Grote areaalverschuivingen in de laatste eeuw zijn niet vastgesteld.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop op een heldere ochtend een bosrand of een open kaphelling af en luister naar een enkele, hoge toet die zich om de paar seconden herhaalt; de toon is zo zuiver dat hij van veel verder komt dan je denkt. Vind je de vogel niet, let dan op de andere vogels: een plotselinge samenscholing van scheldende mezen, goudhaantjes en kolibries rond één punt in een boom wijst bijna altijd op een dwerguil. Kijk naar de bovenkant van de kroon, niet naar het donker eronder.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 180.000 vogels, met over vijftig jaar een min of meer stabiele trend, en de soort geldt als weinig bedreigd. Omdat hij nooit zelf een holte hakt, is hij volledig afhankelijk van spechten en van staand dood hout; bosbeheer dat dode bomen opruimt neemt zijn nestplaatsen weg.

Wetenschappelijke naam

Glaucidium gnoma | Wagler, 1832

Wagler voerde de soort in 1832 in als Glaucidium Gnoma; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want ze is nooit van geslacht gewisseld. Glaucidium is een verkleinwoord bij het Griekse glaux, uil — letterlijk 'uiltje'. gnoma is nieuwlatijn voor gnoom, de dwerg uit de volksverhalen, naar het formaat van de vogel. De typelocatie is Mexico.