Alle soorten › Zangvogels › Amerikaanse gorzen › Cassins gors
Cassins gors | Peucaea cassinii
Cassin's Sparrow | Gorrión de Cassin
Cassins gors is een grijsbruine, tekeningloze gors van de droge graslanden van de zuidelijke Great Plains en het zuidwesten van de Verenigde Staten. Het mannetje zingt vanuit een klimmende en weer omlaag zwevende zangvlucht boven het gras; buiten die vertoning is de soort in het veld nauwelijks op te merken.
Geluid
De zang bestaat uit een of twee zachte aanzetnoten, dan een lange, hoge, muzikale triller op één toonhoogte en tot slot meestal twee lagere, los van elkaar staande noten: tsi — tsieeeeee — tsjoe tsjee. Daarnaast is er een sputterende voorzang van snelle notities. Het mannetje zingt van februari tot september, ook 's nachts, en voert de zang uit in een vlucht van vijf tot tien meter hoog, waarna hij met vlakke vleugels en opgeheven staart omlaag zweeft. De roep is een dun tsip.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een tamelijk grote, slanke gors met een lange, ronde staart, een vlak voorhoofd en een vrij grote, langgerekte snavel. Het verenkleed is grijsbruin en zonder opvallende koptekening: een bleke wenkbrauw, een dunne donkere baardstreep en in vers kleed een lichte oogring. De rugveren dragen een donkere, pijlpuntvormige tekening op een grijze ondergrond. Op de flanken staan enkele fijne strepen, en de buitenste staartpennen hebben lichtgrijze tot witachtige punten die in de vlucht als vage hoeken opvallen. Man en vrouw zijn gelijk.
Verwarringssoorten
Botteri's gors deelt het areaal en de habitat en is het lastigst: die soort heeft een effen bruine staart zonder lichte punten, ongestreepte flanken, warmer bruine rugveren zonder pijlpunttekening en een zwaardere snavel, en zingt een stuiterende, versnellende reeks in plaats van de aanhoudende triller. Brewers gors is kleiner, fijner gestreept op de kruin en mist de zware bouw en de lichte oogring. De dennengors overlapt alleen in Oost-Texas en is roder van kruin en rug met een grijs gezicht.
Leefgebied
Droog grasland met verspreide struiken en cactussen: mesquite, sagebrush, netelboom, rabbitbrush, dwergeik, yucca en schijfcactus. Beide lagen moeten aanwezig zijn — dicht struikgewas zonder gras mijdt hij, en kaal kortgras zonder struiken ook. Hij geeft de voorkeur aan niet of licht begraasd inheems grasland en komt voor van zeeniveau tot ongeveer 2100 meter.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt van West-Nebraska, Zuidoost-Colorado en West-Kansas zuidwaarts door Oklahoma, Texas, New Mexico en Zuidoost-Arizona tot in Noord-Mexico; in het noorden van dat gebied is hij onregelmatig en in sommige jaren afwezig. De winter brengt hij door in Zuid-Arizona, Zuid-New Mexico, West- en Zuid-Texas en in Noord- en Midden-Mexico, met waarnemingen uit onder meer Sonora, Chihuahua, Coahuila, Sinaloa, Nayarit, Zacatecas, San Luis Potosí en Guanajuato. De soort is uitgesproken zwervend: na regenval verschijnen broedvogels in gebieden waar ze het jaar ervoor ontbraken.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in mei of juni bij zonsopgang of in het laatste uur voor het donker langs een prairieweg in West-Texas of Oost-New Mexico en zoek naar een vogel die zingend uit het gras omhoog klimt en dan omlaag zweeft. De zangvlucht is van veraf te zien; een zwijgende vogel op een draad is zonder zicht op staartpunten en flanken niet met zekerheid van Botteri's gors te onderscheiden.
Staat van instandhouding
Partners in Flight schat de wereldpopulatie op ongeveer 14 miljoen vogels. De Breeding Bird Survey laat tussen 1966 en 2015 een stabiele tot licht dalende trend zien, met grote schommelingen van jaar tot jaar die samenhangen met de neerslag. Partners in Flight berekent dat de populatie bij voortzetting van de huidige trend rond 2086 gehalveerd zou zijn. Het knelpunt is het omzetten van inheems grasland in akkerland en bebouwing en, plaatselijk, intensieve begrazing.
Wetenschappelijke naam
Peucaea cassinii | (Woodhouse, 1852)
Samuel Washington Woodhouse beschreef de soort in 1852 als Zonotrichia cassinii, naar een exemplaar van bij San Antonio, Texas; omdat ze later naar Peucaea is verplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert John Cassin (1813–1869), ornitholoog van de Academy of Natural Sciences in Philadelphia, die een groot deel van de vogels beschreef die uit de westelijke landmetingen binnenkwamen. De geslachtsnaam Peucaea komt van het Griekse peukē 'den'; het geslacht werd in 2010 opnieuw in gebruik genomen nadat genetisch, morfologisch en akoestisch onderzoek liet zien dat deze soorten niet bij Aimophila horen.




