Alle soortenZangvogelsAmerikaanse gorzen › Groenstaarttowie

Groenstaarttowie | Pipilo chlorurus

Green-tailed Towhee | Rascador cola verde

De groenstaarttowie is de kleinste towie van Noord-Amerika en de enige met groene bovendelen. Hij broedt in struikvegetatie van de westelijke bergen en de sagebrush-steppe en trekt in de winter naar lager gelegen woestijnstruweel in het zuidwesten van de Verenigde Staten en in Mexico.

Groenstaarttowie (Pipilo chlorurus)
Foto: VJAnderson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang van het mannetje is een lange, rommelige reeks heldere fluittonen en rollers van ongeveer tweeënhalve seconde; op het hoogtepunt van het broedseizoen komt hij tot twaalf strofen per minuut. De contactroep is een dunne, hoge miauw die in toonhoogte stijgt, gebruikt door beide geslachten bij het foerageren, bij het verlaten van het nest en in de vlucht. Bij dreiging klinkt een scherpe, herhaalde tik.

Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.

Herkenning

Een kleine towie met een roestrode kruin, een grijze kop en hals, een scherp afgetekende witte keel met een witte baardstreep, en olijfgroene bovendelen met groengele vleugelranden en staart. De onderdelen zijn grijs, zonder streping. Het vrouwtje is iets doffer dan het mannetje. De vogel foerageert op de grond met een sprong voorwaarts en een gelijktijdige schraap naar achteren met beide poten, en zet de kruinveren bij opwinding overeind.

Verwarrings­soorten

Geen andere Noord-Amerikaanse gors combineert een roestrode kruin met een witte keel en groene vleugels en staart. De boomgors heeft ook een roestrode kruin, maar is bruin gestreept, veel kleiner en heeft een donkere borstvlek. De groenstaarttowie is aanzienlijk kleiner dan de andere towies en heeft in tegenstelling tot die soorten geen bruine of zwarte bovendelen. In dicht struweel hoor je hem eerder dan je hem ziet; de stijgende miauw is anders dan de vlakkere miauw van de gevlekte towie.

Leefgebied

Dicht, laag struweel in de westelijke bergen, vaak met verspreide bomen of cactussen: sagebrush-steppe met bergvlier, bergmahonie en jeneverbes, en struikopslag op plekken die door bosbrand zijn opengelegd. Hij broedt van de laagvlakte tot ongeveer 3000 meter. In de winter zakt hij tot onder de 1200 meter en zit dan in droge wadi's, arroyo's, mesquitebosjes, eiken-jeneverbesbos en woestijngrasland.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedvogel van de westelijke Verenigde Staten, van Oost-Washington en Idaho via Montana, Wyoming, Nevada, Utah en Colorado zuidwaarts tot Californië, Arizona en Nieuw-Mexico. Van de wereldpopulatie brengt honderd procent een deel van het jaar in de Verenigde Staten door en overwintert 61 procent in Mexico, ruwweg van Sonora en Chihuahua zuidwaarts tot Jalisco, Michoacán, Hidalgo en Oaxaca, plus het schiereiland Baja California. Een klein aantal blijft in Zuid-Californië, Centraal-Arizona en West-Texas. Dwaalgasten zijn tot in Manitoba en Nova Scotia gemeld.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in mei en juni op een helling met sagebrush of in een oud brandvlak, waar de mannetjes vanaf een struiktop zingen. Verder in het seizoen gaat hij vooral op de grond schuil; de stijgende miauw uit een struik verraadt hem, en meestal volstaat even wachten tot hij op de top van de struik verschijnt. Kijk dan naar de kruin en de keel, niet naar het groen, dat in schaduw grijs oogt.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de broedpopulatie op 4,1 miljoen vogels; de Breeding Bird Survey liet tussen 1966 en 2014 een stabiele trend zien. Het knelpunt zit in de kwaliteit van de sagebrush-steppe: begrazing, omzetting naar akkerland en een veranderd brandregime laten de struiklaag verdwijnen of te vaak afbranden. Omdat de soort juist profiteert van struikopslag in de eerste jaren na een brand, bepaalt het brandbeheer voor een groot deel hoeveel broedgebied er is.

Wetenschappelijke naam

Pipilo chlorurus | (Audubon, 1839)

John James Audubon beschreef de soort in 1839 als Fringilla chlorura; omdat ze later naar Pipilo verhuisde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pipilo werd in 1816 ingevoerd door Louis Pierre Vieillot, uit het Latijnse pipilo 'tjilpen'. De soortnaam chlorurus komt van het Griekse khlōros 'groen' en -ouros '-staartig', dus 'groenstaart' — dezelfde betekenis als de Nederlandse en de Engelse naam. De typelocatie is later vastgelegd op Ross' Creek bij Blackfoot in Bingham County, Idaho.