Alle soortenZangvogelsAmerikaanse zangers › Gewone maskerzanger

Gewone maskerzanger | Geothlypis trichas

Common Yellowthroat | Mascarita común

De gewone maskerzanger is de zanger van riet, zeggemoeras en nat struweel, en een van de talrijkste broedvogels van Noord-Amerika. Het mannetje draagt een breed zwart masker met een witgrijze bovenrand; het broedgebied loopt van Alaska en Newfoundland tot in Midden-Mexico.

Gewone maskerzanger (Geothlypis trichas)
Foto: Paul Danese — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een helder, dringend witsjietie-witsjietie-witsjietie, meestal twee tot vier keer herhaald en met een vaste klemtoon op de eerste lettergreep van elke groep; het aantal herhalingen en de precieze klank verschillen per streek. De roep is een droge, harde tsjek en bij onrust een raspend tsjrrr. In de schemering laat het mannetje soms een vluchtzang horen: hij klimt enkele meters boven het riet uit en mengt daarbij losse zangelementen met snelle, ratelende noten.

Luister: ZangXC137738

Opname: Jonathon Jongsma — CC BY-SA 3.0 · Murphy-Hanrehan Park Reserve, Dakota, Minnesota, United States · xeno-canto

Herkenning

Een klein, rond gebouwd vogeltje dat de staart vaak licht opwipt. Bovendelen olijfbruin zonder vleugelstrepen, keel en borst geel, buik wit, onderstaartdekveren geel. Het mannetje heeft een breed zwart masker dat van het voorhoofd over het oog tot achter de wang loopt en van boven wordt begrensd door een witte tot asgrijze band. Het vrouwtje heeft geen masker: olijfkleurige kop, bleke oogring, gele keel en een bruinige flank. Eerstejaars mannetjes tonen in de herfst een doffe schaduw van het masker. De ondersoorten verschillen in de breedte van het masker en in de uitgebreidheid van het geel.

Verwarrings­soorten

Vrouwtjes en jonge vogels zijn het lastigst. De combinatie van een gele keel, een witte buik, effen olijfbruine bovendelen zonder vleugelstrepen en vleeskleurige poten is niettemin eenduidig. De nashvillezanger heeft een grijze kop, een volledige witte oogring en geel dat doorloopt tot de onderstaartdekveren zonder witte buik. De rouwzanger en de rouwkopzanger hebben een grijze kap en over de hele onderzijde geel. De citroenzanger heeft gele vleugel- en staartranden en mist het contrast tussen gele keel en witte buik.

Leefgebied

Dichte, lage vegetatie op natte bodem: rietland en lisdoddemoeras, zeggemoeras en natte weide, verlandende sloten en oevers, wilgenstruweel, en kwelders met zoutgras langs de kust. Buiten de broedtijd ook in droger struweel, akkerranden en overwoekerd braakland, en in het overwinteringsgebied in mangrove en suikerrietvelden. Waar de vegetatie hoger dan ongeveer twee meter en gesloten wordt, verdwijnt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Broedt van Alaska, Yukon en de Northwest Territories door heel zuidelijk Canada tot Newfoundland en zuidwaarts tot in het noorden van Mexico. De noordelijke populaties trekken weg en overwinteren in het zuiden van de Verenigde Staten, in Mexico, Midden-Amerika en de Grote en Kleine Antillen. In het zuiden en op de Mexicaanse hoogvlakte is hij standvogel. Er worden dertien ondersoorten onderscheiden, waarvan er enkele een zeer klein, plaatselijk areaal hebben.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga langs een rietkraag of sloot staan en maak een aanhoudend psjt-psjt-geluid: dit is doorgaans de eerste soort die uit de vegetatie omhoog komt kijken, vaak binnen enkele seconden en op korte afstand. Zingende mannetjes gebruiken van april tot juli steeds dezelfde zangpost op een rietstengel of een struiktop.

Staat van instandhouding

Partners in Flight schat de broedpopulatie op ongeveer 77 miljoen vogels en de soort scoort 9 van de 20 punten op de score voor continentale zorg. De Breeding Bird Survey geeft tussen 1966 en 2019 een afname van ongeveer 0,6 procent per jaar, samen zo'n 26 procent. Twee vormen staan er slechter voor: de populatie rond de baai van San Francisco nam in een eeuw met 80 tot 95 procent af en de vorm bij Brownsville in Zuid-Texas werd een tijdlang als verdwenen beschouwd. Verdroging en omzetting van moeras in landbouw- en stadsgrond, waterkwaliteit en bestrijdingsmiddelen zijn de belangrijkste knelpunten.

Wetenschappelijke naam

Geothlypis trichas | (Linnaeus, 1766)

Linnaeus beschreef de soort in 1766 als Turdus Trichas en plaatste hem dus eerst bij de lijsters; door de latere geslachtswisseling staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton trichas gaat terug op het Griekse trikhas, de naam van een lijstersoort. De typelocatie luidde 'noordelijk Amerika' en is later vastgelegd op Maryland. Geothlypis komt van geo 'aarde, grond' en thlypis, een klein vogeltje. De Nederlandse naam verwijst naar het zwarte masker van het mannetje.