Alle soortenZangvogelsVireo's › Grijze vireo

Grijze vireo | Vireo vicinior

Gray Vireo | Vireo gris

De grijze vireo is de vireo van het droge zuidwesten: effen grijs, met een lange staart die hij voortdurend zijwaarts beweegt, en gebonden aan open jeneverbeswoud en woestijnstruweel. Van alle vireo's van Noord-Amerika foerageert hij het laagst en het snelst.

Grijze vireo (Vireo vicinior)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang bestaat uit korte frasen van twee of drie noten, weergegeven als tsje-wie, tsjie-wie, tsjoe, met een pauze van een à twee seconden ertussen; langere reeksen lopen tot negen lettergrepen door. Het mannetje zingt de ochtend door en houdt dat urenlang vol, ook terwijl het foerageert, zodat de vogel goed te lokaliseren is. Hij zingt zowel vanaf een tak als in de vlucht, en het hele jaar door, met de hoogste frequentie in het broedseizoen.

Luister: ZangXC334409

Opname: Scott Gravette — CC BY-SA 4.0 · Kickapoo Cavern State Park, Texas, United States · xeno-canto

Herkenning

Effen grijs van boven, wittig van onder, met een dunne witte oogring en witte teugels; laat in het jaar krijgt de bovenzijde een groenige zweem. De vleugel is donkergrijs tot zwartachtig met witte toppen aan de grote dekveren, die één smalle vleugelband vormen; die band is vaak nauwelijks zichtbaar. De staart is grijs met witte buitenranden en is in verhouding lang. De snavel is zwaar en gehaakt. De vogel beweegt zich snel en behendig door fijne, vaak doornige takken, blijft meestal binnen vier meter van de grond en beweegt daarbij de staart telkens zijwaarts.

Verwarrings­soorten

De grauwe vireo heeft een veel bredere oogring die via de teugels doorloopt naar de snavel en zo een bril vormt, twee duidelijke vleugelbanden, en zit in bergbos in plaats van in jeneverbeswoud en woestijnstruweel. Bells vireo heeft een fijnere snavel, een onvolledige oogring met een vage donkere oogstreep, en een andere, ratelende zang; hij zit bovendien lager, in oeverstruweel. De grijze feetiran heeft een rechtere, vlakke snavel zonder haak, houdt zich rechter op en vangt insecten in de vlucht vanaf open zitplaatsen in plaats van ze van het blad te plukken. De blauwgrijze muggenvanger is kleiner en dunner van snavel en heeft een langere, zwart-witte staart.

Leefgebied

Open jeneverbeswoud, pinyon-jeneverbes, eik-jeneverbes, chaparral en doornstruweel, doorgaans met 35 tot 45 procent struikbedekking en veel kale grond ertussen. In het grootste deel van het broedgebied ligt hij tussen 1600 en 2300 meter, in West-Texas lager (vanaf ongeveer 900 meter) en in Noord-Mexico tot 400 meter. Op trek en in de winter gebruikt hij droog struweel en woestijnstruweel. In de winter in Sonora eet hij de vruchten van de olifantsboom, Bursera microphylla, en verwante soorten, en verdedigt hij individuele winterterritoria.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Het hoofdbroedgebied loopt van Zuidoost-Californië over Noordoost-Utah en Noordwest-Colorado naar Centraal- en Zuidwest-New Mexico en Zuidoost-Arizona. Daarnaast zijn er kleinere broedgebieden in Zuid-Centraal-Californië, Zuidoost-Colorado, Zuidoost-New Mexico, Zuidwest-Texas en Noord-Baja California. Overwinterd wordt in Zuid-Baja California en van Zuidwest-Arizona door vrijwel heel Sonora. In de Big Bend van Texas verblijven het hele jaar vogels, maar de broedvogels vertrekken in de winter, mogelijk naar San Luis Potosí. Gebroed wordt van mei tot eind augustus.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • Winter
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Deze soort komt in een klein gebied voor; de kaart is daarop ingezoomd.

Waar en wanneer kijken

Zoek hem in mei en juni op de zang, in open jeneverbes op een hellingvoet: het geluid gaat urenlang door en verplaatst zich mee met de foeragerende vogel, dus loop rustig mee tot je hem ziet. Als hij in beeld komt, let dan op de staart — de aanhoudende zijwaartse beweging is bij geen andere grijze vireo van het gebied zo sterk.

Staat van instandhouding

De IUCN rekent de soort tot de categorie niet bedreigd, met een geschatte 410.000 tot 460.000 volwassen vogels en een toenemende trend. In New Mexico is de soort echter als bedreigd op de deelstaatlijst gezet en aangemerkt als Species Conservation Concern niveau 1; die staat herbergt ongeveer 22.000 vogels, zo'n vijf procent van het wereldtotaal, en de deelstaattrend werd op ongeveer -16 procent per jaar geschat, al berust die schatting op weinig telroutes. Broedparasitisme door de bruinkopkoevogel is het best gedocumenteerde knelpunt: in een onderzoek in Zuidoost-New Mexico was ruim tweederde van de negentien gevonden nesten geparasiteerd, en geparasiteerde nesten worden vaak verlaten. Broed- en winterareaal liggen grotendeels in dunbevolkt gebied.

Wetenschappelijke naam

Vireo vicinior | Coues, 1866

Coues beschreef de soort in 1866 als Vireo vicinior, naar een exemplaar van Fort Whipple in Arizona; omdat de soort nog steeds in hetzelfde geslacht staat, gaan auteur en jaartal zonder haakjes. Vireo is een Latijns woord voor een groene trekvogel, van virere 'groen zijn'. De soortnaam vicinior is de vergrotende trap van vicinus 'naburig, verwant' en betekent dus 'nauwer verwant', naar de verwantschap die Coues zag met de al bekende vireo's van het westen.