Alle soortenKoekoeksvogelsKoekoeken › Koekoek

Koekoek | Cuculus canorus

Common Cuckoo | Cuco común

De koekoek is in Noord-Amerika een zeldzame gast uit Azië: hij broedt niet op dit werelddeel, maar bereikt in het late voorjaar regelmatig de eilanden voor de westkust van Alaska. Het is de vogel die zijn ei in het nest van een andere soort legt en het grootbrengen volledig aan de pleegouders overlaat. In vlucht heeft hij iets van een kleine havik: spitse vleugels, een lange staart en snelle, ondiepe slagen die niet boven de ruglijn uitkomen.

Koekoek (Cuculus canorus)
Foto: Luiz Lapa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep waaraan hij zijn naam dankt is het tweelettergrepige koe-koek van het mannetje, een zachte, holle fluittoon met een dalend tweede deel, die kilometers ver over open land draagt. Het vrouwtje heeft een heel ander geluid: een snel, bellend, waterig kwik-wik-wik-wik dat aan het bubbelen van een fles doet denken. In Alaska zwijgen de gasten meestal, zodat ze op het gehoor zelden worden gevonden; een roepende vogel is er hoogst uitzonderlijk. Bij opwinding klinkt daarnaast een hees, keffend gowk.

Luister: ZangXC1143461

Opname: Tanguy Loïs — CC BY-SA 4.0 · Arrondissement de Mont-de-Marsan (near Onesse-Laharie), Landes, Nouvelle-Aquitaine, France · xeno-canto

Herkenning

Een slanke, langgestaarte vogel met leigrijze kop, borst en bovendelen en een fijn zwart gebandeerde witte buik. Oog, oogring en poten zijn helder geel, en de staart is donker met witte vlekjes langs de randen en aan de punt. Vrouwtjes zijn meestal als de mannetjes gekleurd maar hebben vaak een roestige waas over de borst; een deel van de vrouwtjes draagt een geheel roodbruin, zwaar gebandeerd kleed. Jonge vogels zijn bruin of grijs met donkere banden en hebben een witte vlek in de nek. Zittend laat hij de vleugels hangen en houdt hij de staart iets opgeheven, een houding die op afstand al opvalt.

Verwarrings­soorten

De grootste moeilijkheid is de Aziatische boskoekoek (Cuculus optatus), die in westelijk Alaska in dezelfde weken opduikt en er vrijwel gelijk uitziet; die heeft gemiddeld bredere en wijder uiteen staande buikbanden en een okerkleurige aanslag op de onderstaartdekveren, maar veel vogels zijn in het veld niet met zekerheid te benoemen. In vlucht wordt een koekoek voor een sperwer of een kleine valk aangezien; hij mist echter de gekromde snavel en de gespreide handpennen, en de vleugelslag blijft onder de horizontaal. De Amerikaanse koekoeken van het geslacht Coccyzus zijn bruin van boven en wit van onder zonder bandering en hebben een veel zwaardere, lichte snavel.

Leefgebied

In Alaska verschijnt hij op boomloos terrein: toendra met dwergwilg, oude strandwallen, dorpsranden en de lage struiken van de rivierdalen op de Beringzee-eilanden. Daar is niets dat op zijn gewone leefgebied lijkt, en de vogels zitten er open en zichtbaar op paaltjes, daken en draden. In zijn broedgebied in Eurazië gebruikt hij open bos, houtwallen, heide, moeras en rietland — overal waar zangvogels nesten bouwen die hij kan gebruiken. Gesloten dicht bos en volledig kaal, plantenloos land mijdt hij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.

Verspreiding en trek

Hij broedt door heel Europa en Azië, tot aan de oostkust van Siberië, en overwintert in Afrika en tropisch Azië. Vogels die te ver oostwaarts doorschieten bereiken de westelijke Aleoeten, de Pribilofeilanden en Saint Lawrence Island, waar hij in het late voorjaar en de vroege zomer met kleine aantallen regelmatig wordt gezien. Van het vasteland van Alaska zijn er veel minder waarnemingen, en buiten Alaska is hij maar een enkele keer vastgesteld. Er is geen aanwijzing dat hij in Noord-Amerika broedt; het gaat om overschietende trekvogels, niet om een gevestigde populatie.

  • Broedvogel (zomer)
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staats- of landsgrenzen. Zowel de seizoenskleur als de kleurdiepte komt per hokje uit de tellingen van GBIF (2006–2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Elk hokje wordt afzonderlijk in juni–juli, december–januari en de trekmaanden geteld, en krijgt de kleur van het seizoen dat er wint; een hokje heet pas broedvogel of wintervogel als het andere seizoen er bijna leeg is. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Wie hem in Noord-Amerika wil zien moet in de laatste week van mei of in juni op een van de Beringzee-eilanden zijn en het open terrein afzoeken naar een lange, grijze vorm op een uitkijkpost of laag over de toendra vliegend. Let bij elke vogel meteen op de onderstaartdekveren en de breedte van de buikbanden, en maak foto's: het onderscheid met de Aziatische boskoekoek wordt achteraf beslist, niet door de kijker. Een roepende vogel is een buitenkans.

Staat van instandhouding

Wereldwijd is de soort talrijk en niet bedreigd; in delen van west- en noord-Europa gaan de aantallen al decennia achteruit, wat samenhangt met de afname van de zangvogels die hem grootbrengen en van de grote rupsen waarvan hij leeft. Voor Noord-Amerika speelt instandhouding geen rol: hij komt er alleen als gast en heeft er geen broedgebied dat beschermd kan worden.

Wetenschappelijke naam

Cuculus canorus | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Cuculus canorus; omdat ze nog altijd in het oorspronkelijke geslacht staat, komen auteur en jaartal zonder haakjes. De geslachtsnaam is het klassieke Latijnse woord voor koekoek, gevormd naar de roep zelf, net als het Nederlandse woord. De soortnaam betekent 'welluidend' of 'zangerig', van canere ('zingen'). Linnaeus gaf als typelocatie eenvoudig Europa; die is later tot Zweden beperkt.