Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Oeverzwaluw
Oeverzwaluw | Riparia riparia
Bank Swallow | Avión zapador
De oeverzwaluw is de kleinste zwaluw van Noord-Amerika en de enige met een scherp afgetekende bruine borstband op een witte onderzijde. Hij graaft zijn nestgang in steile zand- en grindwanden langs rivieren, in afgravingen en in afkalvende kustkliffen, en broedt daar in kolonies van enkele tientallen tot enkele honderden paren.
Geluid
Het geluid is een droog, korrelig gerats: een reeks korte tjrrp-notities die tijdens het vliegen aaneenrijgen tot een aanhoudend geknars. Boven een kolonie klinkt dat als een voortdurend geruis van tientallen vogels tegelijk. De alarmroep bij een langsvliegende slechtvalk of kraai is harder en scherper, en brengt de hele kolonie in één keer de lucht in. Zang in de zin van een vaste strofe heeft de soort niet.
Opname: Pascal Christe — CC BY-SA 4.0 · Siselen, Erlach, Bern, Switzerland · xeno-canto
Herkenning
Bovendelen egaal muisbruin, onderdelen wit, met een scherpe bruine band dwars over de borst die in het midden vaak een punt omlaag stuurt. De staart is kort en ondiep ingesneden, de vleugels zijn smal, de snavel is klein en zwart. In de vlucht valt het snelle, onregelmatige fladderen met korte glijstukjes op, lager en schokkeriger dan bij de grotere zwaluwen. Jonge vogels hebben roestkleurige zomen op de vleugeldekveren en een okerige waas op de keel; de borstband blijft ook dan zichtbaar.
Verwarringssoorten
De Noord-Amerikaanse ruwvleugelzwaluw is de lastigste: die is iets groter, warmer bruin, en heeft een vuile grijsbruine keel en borst die geleidelijk in het wit overgaat, zonder scherpe band. De oeverzwaluw heeft witte keel én scherpe band, en vliegt met snellere, kortere slagen. De boomzwaluw is van boven blauwgroen en van onderen geheel wit zonder band. De groene zwaluw heeft witte vlekken opzij van de stuit. De boerenzwaluw is veel langer, met diep gevorkte staart en roestkleurige keel.
Leefgebied
Verticale of sterk overhangende wanden van zand, leem of fijn grind, hoog genoeg om buiten bereik van grondroofdieren en hoogwater te blijven: afkalvende rivieroevers, zeekliffen van los materiaal, en door de mens gegraven zand- en grindwinningen. De nestgang is 30 tot 90 centimeter lang en eindigt in een kamer met stro en veren. Het voedsel wordt in de lucht gevangen boven aangrenzende rivieren, meren, weiland en akkerland, meestal binnen enkele kilometers van de kolonie.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Hij broedt over vrijwel het hele continent, van Alaska en de Canadese taigazone zuidwaarts tot ongeveer de lijn van Californië, Colorado en Virginia, overal waar geschikte wanden staan; het voorkomen is daardoor zeer plaatselijk en verschuift met de rivier. De soort overwintert in Zuid-Amerika en laat het gebied in augustus en september al vroeg leeg achter. Door de zuidelijke staten, Mexico, Midden-Amerika en de Caraïben trekt hij alleen door.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek in mei en juni een afkalvende rivieroever of een actieve zandwinning en let op de rij gaatjes in de wand. Boven water is de soort op afstand te scheiden van de ruwvleugelzwaluw aan de snellere, meer trillende vleugelslag; het verschil in borstband is pas op korte afstand of met een telescoop betrouwbaar.
Staat van instandhouding
Partners in Flight rekent de soort tot de algemene vogels in sterke achteruitgang: sinds 1970 verdween ongeveer 89 procent van de Noord-Amerikaanse populatie, in Canada zelfs rond 98 procent, waar de soort sinds 2013 als bedreigd onder de Species at Risk Act staat. De achteruitgang wordt in verband gebracht met de afname van vliegende insecten, met oeververdediging die het natuurlijk afkalven van rivieroevers stopt, en met het verlies van actieve zand- en grindgroeven. In Californië is de soort op staatsniveau als bedreigd aangemerkt.
Wetenschappelijke naam
Riparia riparia | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Hirundo riparia; omdat ze later naar een ander geslacht ging, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Riparia werd in 1817 ingevoerd door Forster, naar het Latijnse ripa 'oever' en riparius 'van de oever'; geslachtsnaam en soortnaam zeggen dus tweemaal hetzelfde. Het beschreven exemplaar kwam uit Europa, met Zweden als vastgelegde typelocatie. De Spaanse naam avión zapador verwijst naar het graven van de nestgang.





