Alle soorten › Zangvogels › Mezen › Ridgways Mees
Ridgways Mees | Baeolophus ridgwayi
Juniper Titmouse | Herrerillo de Ridgway
Ridgways mees is een effen grijze mees met een korte kuif en een tekeningloos gezicht, gebonden aan het pinyon-jeneverbesbos van het Grote Bekken en het Coloradoplateau. Tot 1996 gold hij samen met de grijze mees als één soort.
Geluid
De zang is een rollende reeks noten op één toonhoogte, snel en droog, dicht bij een triller. Daarmee verschilt hij van de grijze mees, die juist tussen hoge en lage noten wisselt. De roep is een rauw, raspend tsjik-a-dee. In de nestholte sist een broedend vrouwtje bij verstoring, een geluid dat op een slang lijkt en waarmee een hand in de holte wordt weggejaagd.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een grijze mees van ongeveer 13 tot 15 cm, met een lang lijf en een middellange staart die hem groter doen lijken dan hij is. Het verenkleed is effen grijs, de buik iets bleker dan de bovendelen, zonder bruine inslag en zonder enige tekening. De kop is betrekkelijk groot, met een spitse kuif die vaak half opgezet staat, en een groot zwart oog dat in het lege gezicht opvalt. De snavel is kort, stevig en donker.
Verwarringssoorten
De grijze mees is de spiegelsoort: die is bruiner van tint op mantel en flanken, gemiddeld iets kleiner en korter van staart, en zit in eikenbos ten westen van de Sierra Nevada. De twee arealen raken elkaar alleen langs de oostelijke Sierra-rand en de noordrand van de Mojave, zodat de plaats van waarneming meestal beslissend is; waar ze elkaar toch naderen, scheidt de zang ze: droge triller op één toon tegenover wisselende hoog-laagfrasen. De tweekleurige mees heeft roestkleurige flanken en een zwart voorhoofd en komt niet zo ver westelijk. De struikmees mist de kuif en heeft een lange staart; de grijze vireo mist de kuif en heeft een fijne haaksnavel.
Leefgebied
Open pinyon-jeneverbesbos, zuivere jeneverbes en droge oeverzones met jeneverbes, ruwweg tussen 700 en 2400 meter. Hij is aangewezen op oude bomen: alleen die leveren de natuurlijke holtes voor het nest. Pijnboompitten van de pinyon zijn in de winter het hoofdvoedsel, aangevuld met kevers, rupsen, vliegen, cicaden en spinnen; hij komt op voedertafels met zonnebloempitten en vet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Standvogel van het interieur van het Westen: van Zuidoost-Oregon en Zuid-Idaho door Nevada en Utah tot Zuidwest-Wyoming en Centraal-Colorado, en zuidwaarts door de oostelijke Mojave in Californië, Arizona en New Mexico tot West-Texas, de panhandle van Oklahoma en het uiterste noordoosten van Sonora. Het paar houdt het territorium het hele jaar bezet; er is geen trek.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- Winter
- Doortrek
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Rijd in maart en april door de jeneverbeszone en stop bij elke droge triller. Vogels reageren op nagebootste roepjes door met opgezette kuif dichtbij te komen. Een effen grijze, gekuifde vogel in pinyon-jeneverbes hoeft in de meeste staten niet verder te worden uitgezocht: de grijze mees komt daar niet.
Staat van instandhouding
De populatie wordt geschat op ongeveer 180.000 vogels, 99 procent daarvan in de Verenigde Staten. Tussen 1966 en 2015 bleef de broedpopulatie stabiel en de Continental Concern Score staat op 11 van 20. Het knelpunt zit in het leefgebied: op grote schaal wordt pinyon-jeneverbes gekapt of geklepeld om weidegrond te maken, en juist de oude, holtedragende bomen verdwijnen daarbij het eerst. Ook uitgebreide bosbranden en boomsterfte door droogte verkleinen het areaal.
Wetenschappelijke naam
Baeolophus ridgwayi | (Richmond, 1902)
Richmond beschreef de vogel in 1902 als Parus inornatus ridgwayi, dus als ondersoort; omdat hij later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De soortnaam eert Robert Ridgway, curator vogels van het Smithsonian. Het geslacht Baeolophus komt van het Griekse baios 'klein' en lophos 'kuif'. Het beschreven exemplaar kwam uit Iron City in Utah. In 1996 werd de vorm van ondersoort tot soort verheven, tegelijk met de grijze mees.




