Alle soorten › Zandhoenderachtigen › Zandhoenders › Roodbuikzandhoen
Roodbuikzandhoen | Pterocles exustus
Chestnut-bellied Sandgrouse | Ganga moruna
Het roodbuikzandhoen is een woestijnvogel van Afrika en India die sinds 1961 op de droge lavavlakten van het eiland Hawaii leeft. Hij heeft de bouw van een duif, spitse vleugels en twee verlengde staartpennen die als een pen achter hem aan wijzen. Het bekendste van de familie is dat het mannetje water naar zijn jongen brengt in zijn buikveren, die het water vasthouden als een spons.
Geluid
In de vlucht een scherp, over de toon heen glijdend gefluit gevolgd door lagere, keelachtige noten: wit-ke-tarr, telkens herhaald zolang de groep onderweg is. Een troep op weg naar het water klinkt als een aanhoudend, kikkerachtig dubbelgeklok dat van alle kanten uit de lucht komt. Op de grond zwijgt hij vrijwel volledig. Wie hem zoekt, luistert daarom omhoog: het geluid komt bijna altijd eerder dan de vogel.
Voor deze soort is nog geen vrij gelicentieerde opname gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Een compacte, zandkleurige vogel met een kleine kop, een korte hals en lange, spitse vleugels; de twee middelste staartpennen lopen uit in dunne punten die de staart een naaldvorm geven. Het mannetje heeft een grijsgroene kop met een okergele keel, een lichte borst met daaronder een smalle zwarte streep die door wit wordt omzoomd, en een donkerbruine buik die in het veld zwart lijkt. De vleugeldekveren zijn goudgeel met zwarte randen, wat bij zittende vogels een geschubd geheel geeft. Het vrouwtje mist de borststreep en is over het hele lichaam fijn gestreept, gevlekt en gebandeerd in zand, geel en bruin — op de kale grond volkomen onzichtbaar. Beide geslachten tonen in de vlucht een donkere onderkant van de vleugel en vliegen snel, laag en kaarsrecht, met snelle slagen zonder te glijden.
Verwarringssoorten
Andere zandhoenders zijn er in dit gebied niet, dus verwarring komt van vogels die dezelfde kale grond delen. De grijze frankolijn (Francolinus pondicerianus) en de frankolijn van Erckel zijn even zandkleurig, maar ronder van vleugel, zwaarder van lijf en ze rennen liever dan dat ze vliegen. De rotsduif is even groot en vliegt even snel, maar heeft een brede, recht afgesneden staart en glijdt met opgeheven vleugels. De Aziatische goudplevier die er overwintert (Pluvialis fulva) staat er ook op het open lava, maar is korter van vleugel en heeft een gedrongen kop met een groot oog; de naaldstaart en de donkere buik van het zandhoen zijn beslissend.
Leefgebied
Kale, droge lavavlakten en ranchland aan de lijzijde van het eiland Hawaii, van dicht bij zeeniveau tot hoog tegen de hellingen, met verspreide kiawe en droog gras waar zaadonkruiden tussen staan. Hij zoekt open terrein met een vrij uitzicht en weinig hoge begroeiing; struikgewas en bos mijdt hij volledig. Een tweede eis is water: hij eet uitsluitend droge zaden en moet daarom dagelijks drinken, waardoor hij nooit verder van een drinkplaats gaat zitten dan hij in één vlucht kan overbruggen. Stockdrinkbakken, reservoirs en poelen langs de kust zijn daarvoor genoeg.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld volgens de USNVC — de vegetatie-indeling van de Verenigde Staten en Canada — en CMECS voor zee en kust.
Verspreiding en trek
Zijn oorspronkelijke gebied loopt van West-Afrika en de Sahel door Arabië tot in India; op dit werelddeel komt hij alleen op Hawaï voor. De vogels kwamen uit India en werden door de wildbeheerdienst van de staat uitgezet: op 30 maart 1961 118 stuks op Kauaʻi en 137 op Molokaʻi, op 25 maart 1961 123 op het eiland Hawaii, gevolgd door nog eens 370 daar in het voorjaar van 1962. Alleen op het eiland Hawaii hield het stand; van de vogels op Kauaʻi en Molokaʻi werd kort na het uitzetten niets meer vernomen. Het huidige gebied ligt in de droge streek ten zuiden van Waimea, bij het vliegveldje van Kohala, langs de Kawaihae Road en de Waikoloa Stream tot op 400 meter hoogte, opwaarts tot bij Pōhakuloa langs de Saddle Road, en noordwaarts tot bij Hawi.
- Jaarrond
Waar en wanneer kijken
Zoek hem niet op de grond maar bij het water: sta kort na zonsopgang bij een drinkbak of een poel aan de lijzijde en wacht. De troepen komen in de eerste uren na zonsopgang aanvliegen, drinken in een minuut of wat en zijn weer weg; daarbuiten zijn de vogels op het lava nagenoeg onvindbaar. Kijk daarom in de lucht en luister naar het geklok, en let bij aankomst op de scherpe punt van de staart.
Staat van instandhouding
Wereldwijd is de soort talrijk en niet bedreigd, van de Sahel tot India. Het bestand op Hawaï is klein en beperkt tot één eiland, maar houdt sinds de jaren tachtig stand: in oktober 1981 stonden er ruim 200 vogels bij één drinkplaats, en op 25 december 2013 werden er 254 geteld bij het vliegveldje van Upolu. Waar de soort elders achteruitgaat, komt dat vooral doordat drinkplaatsen droogvallen en doordat er zwaar op wordt gejaagd.
Wetenschappelijke naam
Pterocles exustus | Temminck, 1825
Temminck beschreef de soort in 1825 als Pterocles exustus, in zijn vervolg op de gekleurde vogelplaten van Buffon; auteur en jaartal staan zonder haakjes, want de soort staat nog in het geslacht waarin ze is beschreven. Datzelfde geslacht Pterocles had Temminck tien jaar eerder, in 1815, zelf gemaakt, uit het Griekse pteron 'vleugel' en kleos 'roem' — een naam voor een vogel die om zijn vlucht bekendstaat. exustus is Latijn voor 'verschroeid', naar de donkerbruine, als aangebrande buik. Als vindplaats werd de westkust van Afrika met Egypte en Nubië opgegeven; die is later beperkt tot Senegal.




